In de grond

image002

 

 

 

 

 

 

In de grond.
De mollen gaan hier te keer. Rond de oude abdij ligt een stafkaart van tientallen hoopjes geurige aarde waar mijn poes graag haar neus tegen drukt. Daar Tybert niet ondergronds kan moet hij het stellen met een zweem van iets fascinerends.

 

De mollen trekken er zich niets van aan en wroeten gestaag voort. Gezien de grote verspreiding van de molshopen moet hun gangenstelsel indrukwekkend zijn. En dat niettegenstaande de vele arduinen brokstukken die overal in de grond steken, archeologische restanten van de middeleeuwse abdij. Als ik een spade in de grond steek, stoot ik per definitie op zo’n stenen getuige van een glorieus of schimmig verleden. Met al dat puin in de grond is het hier trouwens een hele toer om iets geplant te krijgen. Maar de mollen graven er zich door- en langsheen, construeren een ondergronds stelsel waar de regenwormen hen een calorierijk menu offreren, en waar gepaard, gebaard en gezogen kan worden. De mollen werken aan de toekomst.

Hún toekomst uiteraard, ongeacht onze nucleaire dreigingen, de klimaatopwarming of de mondiale economische recessie. De mollen hadden het geluk dat Darwins survival of the fittest hen ondergronds deed gaan. Geen last van haviken, zomerhitte of fijn stof. In de grond is het leven zo slecht nog niet!
      Naast de ‘fysieke grond’ hierboven komt in de mystieke literatuur van de late middeleeuwen de term ‘zielengrond’ nogal eens voor. Bij de onlangs heilig verklaarde Titus Brandsma lees je: ‘De diepste grondslag van het menselijk bestaan, de voortdurende instandhouding van het menselijk wezen door God, welke de mens als de eigenlijke grond van zijn bestaan kan beschouwen, en als een werkelijkheid in zichzelf kan zien. Hij ontmoet daar in zijn diepste wezen de goddelijke werking, krachtens welke hij is, treedt daar God tegemoet en voelt zich getrokken tot de oorsprong, waaraan hij is ontsproten.’
      In zijn zielengrond is de mens het meest vatbaar voor God. Daar woont Hij. God is dan als de grote Mol die in de zielengrond van de mens zijn gangen graaft. Gangen van genade door- en langsheen al het puin dat een geleefd leven erin achtergelaten heeft. God trekt zich niets aan van dit puin. Hij laat het verleden het verleden zijn en werkt even onzichtbaar als onverdroten aan zijn indrukwekkend stelsel in onze zielengrond.
      Alleen de mens die in rust verkeert en bij zichzelf blijft, wordt iets van die werking gewaar. De stille mens wordt het somtijds gegund een zweem van de goede geur van Gods werkzaamheid op te snuiven aan de molshopen van zijn zielengrond. Daar, diep in onze innerlijke aarde, wordt in de grootste stilte de nieuwe mens geboren en gezoogd. Rondom het puin van het verleden gloort een nieuwe toekomst voor de mens die ondergronds gaat. In de grond van het meest intieme in de mens wordt hij gevoed met kostelijke spijs. Werkelijk, in de grond is het leven zo slecht nog niet!
Guerric Aerden ocso Abbaye de Prébenoit Bétète