tekst en onderricht december 2024
OPEN CONTEMPLATIEF HUIS
LEERHUIS VOOR BIJBELSE SPIRITUALITEIT
37ste jaargang
PSALMEN: GEDICHTEN EN GEBEDEN VOL LEVEN
Gebed:
Geef ons Uw Woord, Heer,
en maak ons voor Uw Woord open en aandachtig.
Uw Woord waarin Gij U openbaart en wij ons ware wezen herkennen.
Uw Woord dat ons verruimt en verrijkt, ons inspireert tot het hoogste,
het meest menselijke, het goddelijke.
Uw Woord dat ons leidt
om scheppend en verrijkend in het leven te staan, liefdevol, vredevol en vreugdevol.
Uw Woord dat ons oproept om Uw Zoon te volgen
en deel te nemen aan het Koninkrijk. Geef dat wij er nooit verstoken van zijn. Amen.
Lezing van Ps 143
Antifoon: Luister naar mijn smeken om ontferming en antwoord mij in uw trouw.
Een psalm van David.
1 Heer, hoor mijn gebed,
luister naar mijn smeken om ontferming
en antwoord mij in uw trouw: om uwer gerechtigheid wille.
2 Treed niet in het gericht met uw knecht: in uw licht is geen schepsel rechtvaardig.
3 Zie, de vijand staat mij naar het leven, hij zet mij de voet op de nek,
doet mij huizen in duisternissen, gelijk de doden voorlang:
4 in donkerte hult zich mijn geest, mijn hart in de diepte vertwijfelt.
5 En de dagen van vroeger gedenk ik, noem prevelend al uw daden,* overpeins de werken uwer handen;
6 tot u strek mijn handen ik uit,
mijn ziel - dorre grond - smacht naar U.
7 Antwoord mij ijlings, o Heer,
ik ben aan het eind van mijn kracht.
Wend uw aanschijn niet van mij af,
dan werd ik als wie daalden in de groeve;
8 laat mij morgenlijk weten uw goedheid: Gij zijt het op wie ik vertrouw
- wijs Gij mij de weg die ik gaan moet. Mijn leven geef ik in uw hand.
9 Doe mij, Heer, mijn vijanden ontkomen, een wijkplaats zoek ik bij U;
10 richt mijn handelen naar uw behagen, Gij die ik ken als mijn God;
laat uw geest mij goedgunstig geleiden daar waar het land ligt gebaand.
11 Hoed mijn leven, getrouw aan uw naam; doe recht: dat het de druk mag ontkomen.
12 Sla mijn vijand, behaagt het U, neer; delg Gij uit die mijn leven belagen.*
Ik weet mij in uw dienst.
Eer zij de heerlijkheid Gods: Vader, Zoon en heilige Geest.
Zo was het in den beginne,
zo zij het thans en voor immer
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Duiding bij de Ps 143
In het oudtestamentische Nabije Oosten
waren er grootvorsten die de kleinere vazalstaten aan zich bonden door middel van de zgn. vazalverdragen.
Daarin verwijst de grootvorst naar zijn weldaden aan de vazal bewezen
om zijn eis tot trouw en het naleven van zijn bepalingen kracht bij de zetten. In de smeekpsalmen gebeurt er ook zoiets,
maar nu om God te overtuigen de bede te verhoren. De biddende wens kan weliswaar niet verwijzen naar weldaden die hij aan God bewezen heeft,
maar kan wel verwijzen naar zijn trouw, naar zijn dienaar zijn, naar zijn onschuld en vooral naar Gods weldaden,
die in het verleden ontvangen zijn en spreken van Gods grootheid die gelegen is in zijn liefde, barmhartigheid en trouw aan de mens. Dat geschiedt op subtiele wijze ook in Ps 143:
* 1 en antwoord mij in uw trouw: om uwer gerechtigheid wille
* 11Hoed mijn leven, getrouw aan uw naam;
* 2 Treed niet in het gericht met uw knecht:
* 12 Ik weet mij in uw dienst.
De hele psalm ademt de nederige houding van de smekeling
die door deze houding zich min of meer van Gods goedheid verzekerd weet. We mogen het absoluut geen kruiperigheid noemen.
Psalm 143 is dus wel degelijk een smeekpsalm.
En omwille van v.2 staat hij ook in het rijtje van de zgn. zeven boetpsalmen: Ps 6, 32, 38, 51, 102, 130, 143.
De psalm is wellicht geschreven in de post-exilische tijd
en de vermelding van David als auteur is opnieuw pseudepigrafie.
Waarom de psalm een plaats krijgt in de dodenliturgie verduidelijken we straks.
Omwille van v.2 en v.12 wordt de psalm ook wel eens het gebed van de Lijdende Dienaar genoemd.
V.8, geïnterpreteerd als verwijzend naar de paasmorgen, is dan weer de oorzaak dat psalm 143 gezongen wordt in de gebedstijden van Goede Vrijdag en Stille Zaterdag.
Hetzelfde vers deed Benedictus beslissen
dat de psalm iedere zaterdagmorgen gebeden moet worden.
Nu heeft hij een plaats in het morgengebed van de donderdag van de vierde week. Maar hier is v.12 geschrapt als niet passend bij de rest van de psalm.
Maar dan vergeet men de correspondentie van dat vers met v.3 en v.12 en laat men het belijdende slot weg,
waarbij het zich bekennen als Gods dienaar alsoluut een element van verhoring is! Vv.3-6, het middenste deel, bevat een klacht.
Deze is dus omringd door twee reeksen smeekbeden met in iedere reeks terugkerende elementen, nl., het feit dat de smekeling zich als knecht erkent
en hij een beroep doet op Gods trouw.
De smeekbede drukt dan ook vertrouwen uit
en de smeekpsalm kan evenzeer een vertrouwenspsalm genoemd worden.
Want hoewel eigen onschuld subtiel aan bod komt als argument is het vertrouwen van de psalmist vooral gegrondvest
op Gods trouwe goedheid en liefde.
Daarom kan de smekeling ook zonder vrees ‘ten gerichte’ (v.2) naderen.
Het beeld van het opgaan naar de tempel
waarbij men voor God verschijnt als voor een rechter is oud en daarmee hardnekkig archetypisch.
Maar dit beeld en de eventueel daarmee gecreëerde angst wordt hier overstegen.
Hoewel de smekeling als voor een rechter zijn onschuld aanhaalt zijn Gods weldaden een sterker argument om het pleit te winnen, weldaden die een reden tot vertrouwen en dankbaarheid zijn.
Het aangezicht van de verschijnende God
heeft niets meer van een dreigende rechter maar is levengevend:
7 Wend uw aanschijn niet van mij af,
dan werd ik als wie daalden in de groeve;
Zo ook in Ps 51, 13:
verban mij niet: ver van uw aanschijn, noch onttrek mij uw heilige geest.
en Ps 104, 29-30:
Wendt Ge uw aanschijn af, zij bezwijken,
onttrekt Gij hun de adem, zij sterven: zij keren weder tot stof;
En het uit te spreken oordeel wordt vervangen door woorden ten leven:
10 richt mijn handelen naar uw behagen, Gij die ik ken als mijn God;
laat uw geest mij goedgunstig geleiden daar waar het land ligt gebaand.
Genade en inzicht, dat is het wat de dorstige ziel mag verwachten.
Er zijn nog even stilgestaan bij v. 8, waar de morgen
als het moment van verhoring en genade naar voor komt.
Na een bange nacht vol twijfel wordt men weer bewust van Gods nabijheid. Ook dit is een sterk psychologisch thema, dat we ook aantreffen in
Ps 5,4: Heer, des morgens hoort Gij mijn stem,
des morgens breng ik het voor U; wachtende zie ik uit.
en in Ps 90, 14: maak ons morgenlijk rijk met uw goedheid,
dat wij jubelend vieren onze vreugde telken dage dat wij mogen zijn.
Lezing van Ps 142
Antifoon: Ik verhef mijn stem tot de Heer, mijn stem tot de Heer om erbarmen.
1Een compositie van David. Toen hij in de grot was. Een gebed.
2 Ik verhef mijn stem tot de Heer, mijn stem tot de Heer om erbarmen,
3 stort mijn kommer uit voor zijn aanschijn; mijn nood leg ik open voor Hem.
4 Want bijna ontzinkt mij de moed:
- en Gij, Gij kent toch mijn pad –
op de weg die ik moet begaan hebben zij mij de strik al gezet.
5 Zie, ik zoek uw hulp, sla mij gade: niemand trekt zich iets van mij aan,
er is nergens toevlucht voor mij, geen mens vraagt hoe ik nog leef.
6 Tot u blijf ik roepen, o Heer,
U die ik mocht noemen' mijn schuilplaats,*
mijn plek gronds in dit aardse leven.'
7 Sla dan op mijn jammeren acht, zelf ben ik te weerloos geworden:
red Gij mij van mijn vervolgers, want zij worden te machtig voor mij.
8 O, bevrijd uit de engte mijn leven, dat ik weer moge loven uw naam,
dat rechtvaardigen mij omringen. Want Gij voltrekt het voor mij.
Eer zij de heerlijkheid Gods: Vader, Zoon en heilige Geest.
Zo was het in den beginne,
zo zij het thans en voor immer
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Duiding bij Ps 142
Thomas van Celano, de eerste biograaf van Franciscus van Assisi,
deelt mee dat Ps 142 Franciscus’ laatste gebed was op de avond van zijn sterven
op 3 oktober 1226.
De psalm is opnieuw pseudepigrafisch toegeschreven aan David
en verwijst in het opschrift naar een episode uit het leven van David, vermeld in het Eerste Boek Samuël, toen David op de vlucht
was voor de jaloers geworden koning Samuël en zich diende te verbergen. Klacht en smeekbede wisselen elkaar af,
waarbij weer Gods trouw subtiel als motief ter verhoring naar voor geschoven wordt:
6 Tot u blijf ik roepen, o Heer,
U die ik mocht noemen' mijn schuilplaats, mijn plek gronds in dit aardse leven.'
Het motief van God als schuilplaats troffen we ook aan in Ps 143, 9:
Doe mij, Heer, mijn vijanden ontkomen, een wijkplaats zoek ik bij U;
Het is een bekend gegeven in veel spirituele literatuur
dat onze diepste kern, de plaats waar we God ontmoeten, een plaats is waar we onszelf zijn en ons veilig weten, verzekerd van een bestaan dat één is met Gods wezen
en waarin we opgenomen zijn.
We wijzen nog even op de wissel van indirecte rede naar directe rede na v. 3.
Van beide psalmen wordt gezegd dat ze uitnodigen om ze met aandacht en langzaam te bidden.
Muziek: Ps 143 https://www.youtube.com/watch?v=A_0b6OgfWHg&ab_channel=DufayEnsem ble-Topic
Lezing:
Bijbels begint het gebed altijd in een loven of danken, dit is: in de herinnering van Gods reddend optreden in het verleden. Klagen in de psalmen wortelt altijd in een aanvankelijk loven. Het is de vraag of wij als moderne mensen die rijpe beweging nog echt kunnen voltrekken. Als persoon en als gemeenschap is het goed zich toe te leggen op die
bewuste oefening: herdenken wat de Heer voor ons gedaan heeft sinds de schepping van de wereld en sinds onze geboorte, sinds de dood en opstanding van zijn Zoon en sinds de gave van de heilige Geest, en wel binnen elke sacramentele handeling en bij de genezing en leniging van elke ziekte of pijn, zowel lichamelijk als geestelijk. We hebben reden te over om te danken, maar beseffen wij dit nog wel?
(Benoit STANDAERT, Leven met de psalmen)
PSALMEN: GEDICHTEN EN GEBEDEN VOL LEVEN 150
PSALMEN: GEDICHTEN EN GEBEDEN VOL LEVEN
Ps 139
1Voor de koorleider. Van David. Een psalm.
Heer, Gij doorgrondt en Gij kent mij,
2 Gij weet van mijn zitten, mijn opstaan,* Gij verstaat mijn gedachten van verre;
3 mijn op weg zijn keurt Ge, mijn rusten, al mijn wegen zijn U vertrouwd.
4 Want er komt geen woord op mijn tong, of zie, Heer, Gij kent het volkomen.
5 Achter mij zijt Gij, voor mij, rondom mij: Gij hebt uw hand op mij gelegd.
6 Dit te vatten - het is mij te wonderbaar, te verheven - ik reik er niet toe.
7 Waar zou ik uw geest ontkomen? waar zou ik uw aanschijn ontgaan?
8 Klom ik op tot de hemel - Gij waart er, lag ik neer bij de doden - daar staat Gij,
9 sloeg ik dageraadsvleugelen uit, streek ik neer aan de uiterste zeekust,
10 ook daar zou uw hand mij geleiden, hield mij uw rechterhand vast.
11 Sprak ik: 'mij mag het duister omsluiten, het licht worde nacht om mij heen'
12 voor u heerst in het duister geen duister: lichtend is de nacht als de dag,*
de duisternis is gelijk licht.
13 Gij zijt die mijn kern hebt gevormd,
die mij weefde in de schoot mijner moeder,
14 en ik loof U in het besef
dat ik ben eerbiedwekkend van maaksel,* een wonder is wat Gij schiep.
Mijn wezen kent Gij volkomen.
15 Mijn oorsprong was U niet verholen* toen ik in het verborgene gevormd werd,
als in diepten der aarde ontworpen. 16 Uw oog zag mij, vormeloos nog:
in uw boek waren alle geschreven de dagen dezer formering,*
toen er nog niet een daarvan was.
17 Te groots voor mij, God, uw gedachten, te machtig daarvan de som,*
18 zomin als woestijnzand te tellen.
Was ik radeloos –
nog was ik bij U.
19 Sla dan, God, de afvalligen neer:
- o had van hun moordzucht ik vrede!
20 zij blijven u tarten, arglistig,
noemen zich in hun waan uw bestrijders.
21 Zou ik, Heer, uw haters niet haten, niet met afschuw zien die U trotseren?
22 ik haat hen, mijn haat is volstrekt: tussen ons moet het vijandschap zijn.
23 Doorgrond mij, God, ken mijn hart, toets mij, weet mijn verborgen gedachten,
24 zie of niet mijn weg mij verkeerd leidt: wijs de weg van de eeuwigheid mij.
Eer zij de heerlijkheid Gods: Vader, Zoon en heilige Geest.
Zo was het in den beginne,
zo zij het thans en voor immer
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Duiding bij de Ps 139
Ps 139 mogen we beschouwen als een lof - en dankpsalm.
God wordt er geëerd om zijn wijsheid, zijn nabijheid en zijn grootheid.
Er is bewondering en verwondering voor de schepping en ook voor de schepping die we zelf zijn.
Maar de psalm eindigt als een smeekpsalm
en vraagt God om toch maar niet op het verkeerde pad terecht te komen:
Doorgrond mij, God, ken mijn hart,
toets mij, weet mijn verborgen gedachten, zie of niet mijn weg mij verkeerd leidt:
wijs de weg van de eeuwigheid mij.
Deze verzen lijken wat overeen te stemmen met de laatste bede van het Onzevader:
Breng ons niet in beproeving, maar verlos ons van het kwade. In het getijdengebed van de Kerk komt Ps 139 aan de beurt in het avondgebed op de vierde woensdag.
tekst en Onderricht op 17 september 2024*
PSALMEN: GEDICHTEN EN GEBEDEN VOL LEVEN
136 Als bronwellen vloeien mijn tranen: omdat men uw wet veronachtzaamt.
Eer zij de heerlijkheid Gods: Vader, Zoon en heilige Geest.
Zo was het in den beginne,
zo zij het thans en voor immer*
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Gelezen onderricht otober 2025
PSALMEN: GEDICHTEN EN GEBEDEN VOL LEVEN
PSALM 131
Antifoon: Heer, niet verheft zich mijn hart, mijn ogen vermeten zich niet.
1 Een bedevaartslied. Van David.
Heer, niet verheft zich mijn hart, mijn ogen vermeten zich niet.
Ik begeef mij niet in wat te groot is, te wonderbaarlijk voor mij.
2 Neen, bedaren liet ik, verstillen bedaren, verstillen mijn ziel
als een kind bij zijn moeder geborgen; als dat kind zo voel ik mijn ziel.
3 Dat Israël wachte de Heer, van thans tot in eeuwigheid.
Eer zij de heerlijkheid Gods: Vader, Zoon en heilige Geest.
Zo was het in den beginne
zo zij het thans en voor immer;*
tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.