Onderricht 3 december 2019

Bron: Metropoliet Anthony (Bloom) van Sourozh, De weg naar binnen. School van het gebed, Tilburg, 2010, blz. 28-34

BIDDEN: BUITEN STAAN EN AANKLOPPEN
“Maar ieder ding dat we in handen nemen om het te bezitten, wordt weggenomen uit het rijk van de liefde. Zeker, het wordt van ons, maar de liefde gaat verloren.”

Al wie denkt dat hij of zij omwille van een spiritueel goed bezig zijn,
omwille van een levendige interesse in het spirituele en contemplatieve,
omwille van een getrouwe discipline in gebed en meditatie,
omwille van een verdienstelijk en voortreffelijk leven,
al in het Rijk Gods zijn en geen bekering meer nodig hebben,
kan God niet ontmoeten en bedriegt zichzelf.
God kan zich aan zo iemand, overtuigd van eigen gerechtigheid,
ook niet openbaren.


Hij kan dit alleen maar aan diegene die beseft buiten te staan,
die beseft steeds aan het begin te staan en geduldig blijft aankloppen.
« Mar-anatha » betekent : « Kom, Heer. »
We blijven dit gebedswoord, eigenlijk een smeekgebed, herhalen,
ook al hebben we soms eens de idée bij één of andere ervaring :
« Ha, daar is Hij eindelijk. », waarmee we dan bedoelen : « Ha, ik ben er ! »
Toch staan we niet zomaar buiten voor de deur.
Toch zijn we niet zomaar nog nergens.
Wij zijn buiten maar toch reeds binnen.
We geraken steeds meer binnen,
maar de deur is nog niet bevrijdend achter ons in het slot gevallen.
En ook, als we al menen dat er opengedaan wordt, blijven we kloppen,
zacht en aanhoudend : « Mar-anatha », « Kom, Heer ».
Dat kloppen houdt in dat we vooreerst het verlangen blijven koesteren
en ons eigenlijk – hoe eigenaardig dat ook klinkt –
met dat verlangen tevreden stellen.
Zoiets als: zoeken is alles, vinden is niets.
Of: op tocht zijn is alles, aankomen betekent niets.
Of nog: verlangen is alles, bezitten is niets.
Deze houding van verlangen stemt overeen met de evangelische armoede.
Het is niet willen bezitten, beseffen dat we eigenlijk ook niets bezitten
en dat al wat belangrijk is in het leven gave is
en dat we dat verliezen als we het willen grijpen, vasthouden, bezitten.
Wat we hebben en zijn, hebben en zijn we.
Maar we hebben het niet in bezit.
We zijn in het bezit ervan omdat het ons in liefde gegeven is.
Als we het in bezit willen hebben gaat de gave en de liefde verloren.
Waarom grijpen we met geweld wat ons in liefde gegeven wordt.
Het bewustzijn dat eigen is aan het kloppen aan de deur van het Rijk Gods,
aan de deur van de gemeenschap met God,
van een leven van volkomen vrede en vreugde,
is het bewustzijn dat het leven en alles wat we werkelijk nodig hebben
ons gegeven is, vooral dat liefde ons gegeven is,
erkenning van onze waardigheid, aanvaarding en vergeving.
Het is met dat bewustzijn dat we onze meditatie dienen in te gaan.
Het brengt ons een ervaring van vrijheid en stemt ons dankbaar.
Het besef van én arm zijn en in het bezit zijn van wat er echt toe doet,
is noodzakelijk voor vooruitgang in het gebed en het contemplatieve leven.
Dat bewustzijn kan ons dus ook brengen tot versobering en verstilling
en deze zijn dan geen kwestie meer van een uiterlijke ascese.
Die versobering en verstilling
dient nu ook ingang te vinden in onze verbeelding.
We mogen onze verbeelding niet zomaar de vrije loop laten.
De op hol geslagen verbeelding perverteert onze natuurlijke verlangens
en maakt ons tot slaven ervan.
Er is een groot verschil tussen liefde en gehechtheid,
tussen gezonde honger en hebzucht,
tussen een levendige belangstelling en nieuwsgierigheid,
tussen verlangen naar diepe vrede en vreugde
en religieuze waanzin en fanatisme.
Meditatie is een grote oefening in het loslaten van verbeelding.
Kloppen aan de deur is verlangend loslaten.