Onderricht 19 juni 2018


Bron: Alla SELAWRY, Filokalia. Het innerlijk gebed, Ankh-Hermes, Deventer.

De uiteindelijke vrucht van het innerlijk gebed,
van het contemplatieve gebed, van meditatie,
is het ontstaan van de ‘innerlijke mens  van het hart’,
de mens die verborgen leeft in Christus,
ook, de mens in wie Christus verborgen mag leven,
de mens die leeft in eenheid met Christus.
Het is een begenadigde toestand.
Laten we hier er nog even aan herinneringen dat Keating noteert
dat die begenadigde mens zich niet altijd bewust is van die begenadiging,
dat God de heiligheid van zijn heiligen
vooral voor de heiligen zelf verborgen houdt.
Die begenadigde toestand uit zich in het denken, spreken en handelen,
dat liefdevol, vredevol en vreugdevol is
en verder gekenmerkt door een grote vrijheid en moed.
Het denken, spreken en handelen wordt niet meer geleid
door het angstige en begerige ik-gerichte denken.
Er is innerlijke rust en vrede, wijsheid en inzicht,
een grote graad van zelfbeheersing en verdraagzaamheid,
er is deemoed en nederigheid
en de voortdurende gerichtheid op inkeer, bekering, goedheid en gebed,
en een verlangen naar stilte,
een verlangen dat geen teken is van een drang tot wereldvlucht,
maar tot meer leven in plaats van geleefd worden.
In dit begenadigd bestaan is bidden geen kwestie meer van denken,
van vroom nadenken en bezinnen, van woordformuleringen,
van zoeken naar passende, eigentijdse, goed klinkende zinnen,
maar een kwestie van het hart, van een bewustzijn van aanwezigheid,
van een verlangen ook van aanwezig zijn bij God, niet alleen bij God
omdat die me innerlijke rust en comfort dient te verstrekken,
maar een innerlijk aanwezig zijn met God,
een aanwezigheid die zich ook zal vertalen in de wijze
waarop men bij mensen aanwezig is: met God.


Dat voortdurend aanwezig zijn met God, in God en God dus in ons,
is de ware innerlijke concentratie, een genadegave
die weliswaar de vrucht is van een trouw aan het innerlijke gebed.
In dit gebed is er de concentratie van het denken,
de aandacht en oplettendheid, waarbij de zintuigen zich inkeren
en men het observeren van de werkelijkheid loslaat
om die werkelijkheid te begrijpen, in dienst van het ik te stellen.
Het is ook het loslaten van allerhande indrukken en ‘hersenspinsels’.
Dan is er de concentratie van de wil,
de gerichtheid naar aandacht en oplettendheid.
Als deze zich vertaalt in een spanning van spieren tijdens meditatie,
dan is het goed om zich even van deze spanning bewust te worden
en deze uiteraard los te laten.
Bij de concentratie van de wil hoort ook in het dagelijkse leven
het loslaten van wensen die gericht zijn op
de beveiliging, de bevrediging en de bevestiging van het ego.
Tenslotte is er de aandacht van het gevoel,
een soort van waakzame nuchterheid,
gekoppeld aan een leven met enige significante soberheid,
en ook met het leren loslaten van alle emotionaliteit.
De begenadigde toestand kan men ook deze van ‘bezieling’ noemen.
Nog andere begrippen duiden deze levenswijze aan:
verlichting die leidt naar eenheid, wedergeboorte,
het ontvlammen van de geest.
Er heerst in die mens een kracht om het leven te ordenen
en ook om Gods wil te doen.
Er is niet alleen een verlangen naar stilte en gebed en aanwezigheid met God,
maar evenzeer het verlangen om God te doen, verzet tegen kwaad en onrecht
inzet voor het welzijn van anderen, voor rechtvaardigheid en vrede.
De contemplatie baart altijd de actie in eenheid met God.
Dat laatste laat zien of het eerste geen op zichzelf betrokken bezigheid is.