Tekst en onderricht januari 2026
“IK GELOOF IN…”
BIJBELSE GRONDSLAGEN VAN ONZE GELOOFSBELIJDENIS
Bijbellezingen:
1 Korintiërs 15, 1-20
Johannes 11, 17-27
Duiding
Hoe wordt er in het Oude en in het Nieuwe Testament over verrijzenis gesproken? En in hoeverre is het spreken over de verrijzenis van Jezus de Christus anders?
Genesis 25, 8 Toen gaf Abraham de geest en stierf in gezegende ouderdom, oud en verzadigd van jaren, en hij werd met zijn voorvaderen verenigd.
Het verenigd worden met de voorvaderen is hier geen aanduiding van verrijzen en van het weerzien van de voorvaderen in een leven na de dood.
Het is een merkwaardige aanduiding voor het begrafenisritueel.
Bij en na de begrafenis was er in het oude Israël van dodencultus eigenlijk geen sprake, toch niet van een dodencultus die een verder leven na de dood voor ogen had.
Het lichaam werd niet gebalsemd om het te bewaren voor een nieuw leven. Men plaatste geen grafgiften noch spijzen.
Er was geen grafverering en geen dodenverering. Al te groot rouwmisbaar werd achterwege gelaten.
Van het raadplegen van de geesten van overledenen was geen sprake. De wet verbood dat uitdrukkelijk.
Een lijk werd als onrein beschouwd en wie ermee in aanraking was gekomen diende bijzondere en grote reinigingsriten te ondergaan.
Er viel dus voor en van de doden niets te verwachten.
Er is wel sprake in het OT van een schimmige ‘onderaardse ruimte’,
de sjeool, waar de overledenen een schimmig bestaan zouden leiden,
maar het is zeer de vraag is men zich daar verder concrete voorstellingen van maakte zoals Grieken en Romeinen deden of Dante in zijn La Divina Commedia.
Dergelijke beschrijvingen ontbreken in het OT.
De eindigheid van de mens wordt niet betwist maar aanvaard,
de dood is de normaalste en natuurlijkste zaak die ieder overkomt. Nergens wordt ook het verlangen uitgedrukt naar een verder duren van of van een terugkeren naar een aards bestaan,
of naar een leven dat alle gelijkenissen daarmee vertoont. Dit is geen verrijzenisconcept van het OT!
De gelukkige dode is diegene die een natuurlijke dood sterft na een goed leven en een behoorlijk aantal jaren.
Sterven is eigen aan ieder schepsel, ook aan de mens
en de sterfelijkheid van de mens is geen gevolg van de zgn. zondeval. De dood die deze zondeval met zich meebrengt betekent iets anders dan de lichamelijke dood.
‘Dood’ betekent: niet meer in eenheid met God leven, uit die eenheid verdreven zijn.
En meteen hebben we een andere notie van leven: in eenheid met God zijn.
Het sterven dat het gevolg is van de zondeval
heeft dus met dat niet meer in eenheid zijn met God te maken.
Er is in het OT dus duidelijk sprake van het ontmythologiseren van de dood en als er al eens sprake is van een mythologische onderwereld,
dan is dat nogal eens in spottende zin. Tot de koning van Babel wordt gezegd:
Jesaja 14, 9 Het dodenrijk beneden is druk in de weer om u te ontvangen. De schimmen, al de machtigen der aarde, worden voor uw gewekt.
De koningen der volken moeten opstaan van hun troon. Zij allen verwelkomen u met de woorden:
`Nu zijt gij even machteloos als wij en aan ons gelijk.’
De echte dood is voor de vrome en wijze Israëliet niet de lichamelijke, maar het niet meer in relatie staan met God,
met God geen gemeenschap meer hebben.
Werd die gemeenschap met God aan de doden ontzegt?
Frequent is te horen dat de doden in ieder geval God niet meer loven. Maar in Ps 139 wordt het geloof verwoord,
dat ook na de dood de verbondenheid met God niet ophoudt en God ook heersend aanwezig is in een bestaan na de dood:
8 Klom ik op tot de hemel - Gij waart er, lag ik neer bij de doden - daar staat Gij,
9 sloeg ik dageraadsvleugelen uit, streek ik neer aan de uiterste zeekust,
10 ook daar zou uw hand mij geleiden, hield mij uw rechterhand vast.
11 Sprak ik: 'mij mag het duister omsluiten, het licht worde nacht om mij heen'
12 voor u heerst in het duister geen duister:
lichtend is de nacht als de dag, de duisternis is gelijk licht.
Ook in Ps 73 wordt het vertrouwen in Gods voortdurende nabijheid uitgesproken:
21 Toen mijn hart zo verbitterd was - want het sneed mij tot op het leven
22 toen was ik een dwaas en een weetniet, een redeloos dier in uw bijzijn;
23 en toch - was ik niet altijd bij U? Gij hield mijn rechterhand vast.
Bij Paulus horen we bij manier van spreken een geradicaliseerd vertrouwen op dat vlak:
Romeinen 8, 38 Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht 39 in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal
ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer.
In die zin maakt God een einde aan de ‘ware dood’
en is het stilvallen van organen niet het einde van een bestaan in eenheid met God.
Vooral na de ballingschap en in de periode van het ontstaan van de apocalyptiek breekt dan definitief het verrijzenisgeloof in Israël door.
Verrijzen betekent ook nu weer niet
een terugkeer naar of een voortzetten van een aards of quasi-aards bestaan
en ook niet het voortleven van een ziel die zich van het lichaam zou afscheiden.
Dit is een Griekse en dualistische kijk op de mens die ook in de reïncarnatieleer terugkeert.
Dus in het leven, dus in een bestaan in eenheid met God na de dood, is er van ‘lichamelijkheid’ sprake en wel in deze zin,
dat diegene die in eenheid met God leeft
een unieke persoonlijkheid is waarvan het lichaam, het in tijd en ruimte ingeschreven historisch bestaan, een constituerend deel van uitmaakt.
We hebben niet alleen een lichaam, we zijn ook lichaam. Het gebod van de liefde in het boek Deuteronomium vraagt
God lief te hebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten (6,5).
Leven in eenheid met God doen we niet alleen in gedachten.
Jezus en de leerlingen deelden dat Joodse geloof in de verrijzenis.
De Farizeeën deden dat eveneens. De tempelelite van de Sadduceeën niet.
Ook voor Jezus betekende verrijzen niet het verder zetten van een aards bestaan en niet een einde maken aan de sterfelijkheid van het schepsel.
Verrijzen is het leven binnentreden, eenheid met God bereiken, eigenlijk het bestaan van God intreden,
een bestaan waarvan vrede en vreugde, volkomen vrede en vreugde hét kenmerk zijn, een bestaan dat ook al in dit aardse leven kan doorbreken.
Dit is het wat Jezus openbaarde in zijn leven, sterven en verrijzen, in het paasgebeuren.
Zijn eigen verrijzenis bevestigt zijn openbaring
en is een oproep om eraan deel te nemen: sterf en wordt!
Zijn verrijzenis is niet historisch in de zin van object van historische wetenschap, te onderzoeken en te beschreven.
Maar het is een reëel gebeuren en toch historisch in de zin van: behorend bij het paasgebeuren en historische gevolgen hebbend. En historisch is ook de verkondiging ervan, het zgn. paaskerygma.
Het geloof hechten aan dit kerygma is het onderscheidende van de christen. Wie geen geloof hecht aan de verrijzenis kan zich geen christen noemen.
Maar dit geloof is meer dan het voor waar houden
van Christus’ verrijzenis als een historisch feit.
Het is veeleer gelegen in het deelnemen aan die verrijzenis, het in eenheid met de Verrezene in eenheid leven met God.
Drie elementen komen voor in de paasverhalen van de vier evangelieën: de ontdekking van het lege graf,
de boodschap van de verrijzenis en de verschijning van de Verrezene, het feit dat Hij zich als verrezen laat zien, laat ervaren.
Belangrijk is hier op te merken
dat het aantreffen van een leeg graf geen geloof in de verrijzenis teweegbrengt.
Er zijn immers andere verklaringen voor een leeg graf en zoals we weten maakt Matteüs daar gewag van.
Anderzijds dienen we ook aan te stippen
dat er zonder een leeg graf van kerygma geen sprake zou zijn. Vrouwen zijn de eersten die in de verhalen het kerygma vernemen, de eersten die de verkondiging van de verrijzenis horen.
In het evangelie van Marcus brengt dat weer geen geloof teweeg. Om tot geloof te komen in de verrijzenis,
is het alleen vernemen van het kerygma blijkbaar niet voldoende. Jezus moet zich laten zien en ervaren.
Toch zegt Jezus tot Thomas in het Joh-evangelie:
Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge?
Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben. (20, 29)
En anderzijds brengt ook het verschijnen van de Verrezene
niet onmiddellijk een herkennen van de verrezen Jezus met zich mee.
Het geloof in de verrijzenis ontstaat dan ook niet
door het zien van een onmiddellijk duidelijk herkenbare lichamelijke gedaante. Dat betekent dat het zien en ervaren van de Verrezene in diegene die verschijnt een andere manier van zien vereist, een andere perceptie
dan degene die vasthoudt aan continuïteit.
Tot Maria Magdalena zegt de Verrezene: ‘Houd mij niet vast!’
De nieuwe blik vereist ‘bekering’, diegene die kijkt moet zich bekeren om te zien.
De kracht van de verrijzenis ervaren is ook alleen weggelegd voor wie zich bekeert en het sterven toelaat.
En toch is het ook weer de ontmoeting met de Verrezene die deze bekering op gang brengt.
‘Verrijzenis’, ‘opwekking’, ‘verheffing’, ‘verhoging’, ‘verheerlijking’…: het zijn begrippen die allemaal dezelfde realiteit uitdrukken: binnentreden in een onvoorstelbaar niet tijd-ruimtelijk bestaan
van eenheid met God.
Alleen te zien en te ervaren voor wie de weg van Christus gaat,
de weg van het sterven van het ‘ik’.
Lezing:
Vandaag de dag kan een mens slechts toegang krijgen tot het geloof in de verrijzenis via het getuigenis dat de Kerk als geheel van de verrijzenis aflegt.
Dat veronderstelt dat de christelijke werkelijkheid zelf – dat zijn dus alle christenen - in woord, viering en samen-leving een getuigenis van de verrijzenis vormt.
Het bestaan van een christen en van de christenen als gemeenschap zou van binnen uit een verrezen bestaan moeten zijn.
Daartoe zijn we geroepen.
Hier blijkt hoeveel er afhangt van de kwaliteit van het getuigenis
dat christelijke gemeenschappen door hun manier van leven afleggen. Dat het erkennen van de verrijzenis een geloofsdaad is,
impliceert dat dit niet kan zonder een bekering van onze vrijheid, gestuwd door de genade van God.
Jezus’ leerlingen hebben dit hele bekeringsproces doorgemaakt.
Tussen het ogenblik van hun vlucht naar alle kanten, hun ongeloof en hun wanhoop op Goede Vrijdag,
en het moment waarop ze rond de verrezene weer bijeenkomen, is Gods genade in hun vrijheid aan het werk geweest.
En zo vergaat het iedere mens die tot geloof in de verrijzenis komt. (Bernard SESBOÜÉ, Ik geloof. Een uitnodiging voor de 21ste eeuw)