tekst en Onderricht maart 2026




Jesaja 11, 1-9

Matteüs 3, 11-17
Duiding

Onze geloofsbelijdenis heeft een trinitaire indeling.
Het eerste deel handelt over de Vader, het tweede over de Zoon en het derde deel is het deel van de Heilige Geest.
Maar het is ook het deel van de Kerk, die het werk is van de Geest. En in dit deel komen zaken aan bod die de Geest bewerkt,
de Geest die Jezus ons heeft nagelaten om ons heil te bewerken.
Ik geloof in de heilige Geest die Heer is en het leven geeft
die voortkomt uit de Vader en de Zoon; die met de Vader en de Zoon
tezamen wordt aanbeden en verheerlijkt; die gesproken heeft door de profeten.
Ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk. Ik belijd één doopsel tot vergeving van de zonden.
Ik verwacht de opstanding van de doden en het leven van het komend rijk. Amen.



De Geest is zoals God onzegbaar en onwaarneembaar op zich, maar toch wel degelijk ervaarbaar,
onrechtstreeks waar te nemen in zijn ‘verrichtingen’. Hij is ‘de ervaren God’, de ‘te ervaren God’.
God maakt zich in, met en door zijn Geest ervaarbaar.
Water, vuur, wind, adem en duif
zijn de Bijbelse metaforen voor Gods Geest.
Bij water kan verwezen worden naar de leven gevende functie van water. Zo dienen we het vers uit het passieverhaal van Johannes te verstaan: Joh 19, 34 Maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans.
Terstond kwam er bloed en water uit.
Dit is een verwijzing naar het leven gevende water
dat in een visioen van de profeet Ezechiël uit de tempel vloeit:
Ez 47, 1 Daar zag ik onder de drempel water opwellen en in oostelijke richting stromen.
Ezechiël is de profeet bij wie het toekomstvisioen te lezen valt dat de Geest aan alle mensen zal gegeven worden.
Het deel van de geloofsbelijdenis over de Geest en de Kerk
kan bijna niet gelezen worden zonder de visioenen van Ezechiël erbij te denken, want in deze is te horen wat de Geest voor het heil van de mensen verricht.
Het water als symbool voor de Geest bevat eveneens de zuiverende functie van water. Die zuiverende functie heeft ook vuur.

Het Griekse woord voor ‘vuur’, pur, is de oorsprong van ons woord ‘puur’, ‘zuiver’, en van het begrip ‘purificatie’, ‘zuivering’.
De metafoor dankt hier zijn bestaan aan de metaalbewerking. Maar vuur is uiteraard ook verwarmend en verlichtend.
Met purificatio, ‘zuivering’ en illuminatio, ‘verlichting’
worden in de traditionele leer van de mystiek de eerste twee fasen
van de mystieke éénwording aangegeven, en die éénwording, unificatio,
die leidt tot unio, ‘eenheid’ geschiedt natuurlijk weerom door de werking van de Geest.
De duif als metafoor van Gods Geest
is te vinden in het bericht van het doopsel van Jezus. De oorsprong ervan is niet zo duidelijk,
maar houdt wellicht verband met de voorstelling van de zielevogel, die de ziel van de mens buiten het lichaam symboliseert.
‘Pneumatologie’ is de theologische leer over de Heilige Geest
en het woord vindt net als ‘pneumologie’ zijn oorsprong in het Griekse pneuma, hetgeen ‘adem’ betekent, in het Latijn spiritus.
Van dat Latijnse woord kennen we heel wat afleidingen zoals
‘spiritueel’, ‘spiritualiteit’, ‘geïnspireerd’.
Die wijzen er in ieder geval op dat het geloofsleven van de mens het werk is van de Geest.
Het Hebreeuwse woord voor adem is ruach.
Dat ‘adem’ een uitstekende metafoor is voor de Geest is duidelijk:
de adem is leven gevend, aan de mens gegeven, eigen aan de mens, doet de mens leven, maar overstijgt ook de mens.
Adem als metafoor voor de Geest wijst op het immanente van de Geest en tegelijkertijd op het transcendente van zijn aanwezigheid.
Het Hebreeuwse ruach betekent ook ‘wind’, en wel een stevige wind,
die iets kan vernietigen, doet verwaaien of in beweging zet.
Wind als metafoor treffen we samen met vuur aan in het gekende verhaal van Pinksteren.
In de Johannesversie van het Pinkstergebeuren is het dan weer de adem die de metafoorfunctie inneemt en herinnert aan het scheppingsverhaal waarin we lezen dat de mens een levend wezen werd
doordat God hem de levensadem in de neus blies. Bij Johannes wordt dat:
20, 22 Na deze woorden blies Hij over hen en zei: “Ontvang de heilige Geest.
23 Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven,
en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” Merkwaardig is dat als eerste genadegave van de Geest de volmacht om zonden te vergeven aangeduid wordt, hetgeen ook als eerste verrichting van de Geest in de Kerk in de geloofsbelijdenis wordt beleden.
Als men echter onder ‘zonde’ verstaat hetgeen scheiding brengt met God,
en men dan onder vergeving een eenheid herstellende daad begrijpt, ziet men onmiddellijk weer de werking van de Geest verschijnen.
Dat Gods ruach mensen in beweging zet is duidelijk in de verhalen van de rechters, die geweldige exploten verrichten om het volk te redden.
Verder ook in het geïnspireerde spreken van de profeten, die door de Geest vaak in vervoering worden gebracht, door de kracht van de Geest uit zichzelf treden,
waar het Hebreeuwse woord voor profeet, nabi’, naar verwijst. In dit alles heeft de Geest een dynamische historische betekenis.
Die betekenis is zeker terug te vinden in de teksten over de komende Messias en in de profetieën, vooral deze van Ezechiël, waarin voorzegd wordt
dat Gods Geest het deel zal worden van allen mensen.
Die dynamisch historische betekenis
– de Geest verricht iets in de geschiedenis, die zo ‘heilsgeschiedenis’ wordt –

zit ook vervat in de erkenning van de werking van de Geest in Jezus van Nazaret, in het handelen en spreken van de apostelen en in de groei van de Kerk.
Vooral Lucas is in dat opzicht de pneumatoloog van de evangelisten. Nu zij er nog even op gewezen dat het Hebreeuwse ruach vrouwelijk is, het Griekse pneuma onzijdig en het Latijnse spiritus mannelijk.
Maar de Geest is niet alleen maar een goddelijke kracht. Hij is ook een handelend subject, iemand die iets verricht. Hij is – zo zou men kunnen zeggen - de handelende God. Daarom is de kracht in ons nooit van ons:
het is God in ons, de Geest, die aan het werk is, die bidt…
In de OT-ische wijsheidsliteratuur verschijnt de Geest als een quasi persoon, als scheppende wijsheid.
Dat is zeker zo bij Paulus en Johannes, in wiens evangelie de Heilige Geest de ‘andere Helper’ genoemd wordt.
En al is de Geest geen ‘Jij’ zoals de Vader en de Zoon,
in eenheid met Hen is Hij behorend bij het ‘Wij’
en zo ook in eenheid met de Kerk.
We lezen reeds in het Boek der Handelingen van de Apostelen
bij de formulering van het besluit van het eerste concilie van Jeruzalem in verband met de besnijdenis:
15, 28 De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten
u geen zwaardere last op te leggen dan de onvermijdelijke.
In onze geloofsbelijdenis wordt niet letterlijk gezegd dat de Geest God is,
maar dat Hij voortkomt, dat wil zeggen ‘uitgaat’, uit de Vader.
De Westerse Kerk heeft daar in de tijd van Karel de Grote ‘en de Zoon’ aan toegevoegd en dat werd de uiteindelijke theologische reden van de scheiding met de Oosterse Kerk, het zgn. Grote Schisma van 1054, waarbij we nu niet langer stilstaan.
Dat ‘uitgaan’ betekent echter wel degelijk dat de Geest bij God hoort, wezenlijk.
Vanuit de Schrift valt een oplijsting te maken
van wat de Geest verricht in de Kerk en in iedere gelovige: de Geest bidt in ons;
de Geest brengt tot de waarheid, verleent inzicht en waarheid; de Geest herinnert ons wat Jezus heeft gezegd;
dat betekent ook dat de ‘leer’ in het hart, in het ‘geweten’ is ingeschreven, niet alleen in de Schrift en de traditie;
de Geest deelt genadegaven, charismata, uit, alles tot opbouw van de Kerk, alles tot heil van de mensen;
de Geest zelf spreekt niet, maar doet spreken; zo doet Hij ook geloven en belijden;
Hij maakt heilig en herschept de mens innerlijk, transformeert;
Hij zorgt voor een persoonlijke relatie met Christus en Hij vormt de gemeenschap van Christus;
Hij inspireert en doet verlangen, Hij ‘be-geest-erd’;
Hij is het verlangen naar God, God die ons doet verlangen. Hij is God die we ervaren, maar niet rechtstreeks.
Zoals God tot ons spreekt in mensen
zo laat Hij zich ook ervaren in het menselijke, in al het menselijke. Dat is de diepe betekenis van de incarnatie.
Dan ontstaat natuurlijk de noodzaak van de zgn. onderscheiding:
wat is van de Geest en wat is van de ‘verleider’, van onszelf, van onze angsten en onze zelfzucht?
Tenslotte is de Geest de Liefde tussen Vader en Zoon, de Liefde waarin wij delen.
De Geest is de ervaring van de Liefde van God, de zelfmededeling van God,

God die zichzelf meedeelt opdat we tot eenheid met Hem zouden komen en goddelijk zouden leven.