Tekst en Onderricht april 2026

OPEN CONTEMPLATIEF HUIS
LEERHUIS VOOR BIJBELSE SPIRITUALITEIT
38ste werkjaar 2025-2026
“IK GELOOF IN…”
BIJBELSE GRONDSLAGEN VAN ONZE GELOOFSBELIJDENIS



2 Samuël 12, 1-14
Matteüs 18, 21-35
Ik had veel andere Bijbelse teksten kunnen kiezen voor dit thema over zonde en vergeving.
Zoals bijvoorbeeld het evangelie van de 2de paaszondag, Beloken Pasen, waarin we de verschijnende verrezen Heer tot de leerlingen horen zeggen: Ontvang de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” (Joh 20, 22-23)
Waarom wordt die zondenvergeving onmiddellijk ter sprake gebracht na de gave van de Geest, alsof die er hecht mee te maken heeft
en de hele zendingsopdracht van de leerlingen daarop gefocust is
en waardoor het ook lijkt dat die vergeving de kernopdracht van de Kerk is
en de grootste dienst die de Kerk aan de mens en de mensheid kan bewijzen? Ik hoop in de loop van wat volgt een antwoord op deze vraag te kunnen geven.



De tekst uit het Matteüsevangelie laat in ieder geval duidelijk blijken
dat voor de leerling van Jezus de vergeving werkelijk een verplichting is, een gebod van hetzelfde belang als het gebod van de naastenliefde
en de liefde voor de vijand.
En het verhaal van de aan David geschonken vergeving
doet dan weer wenkbrauwen fronsen en vragen stellen bij de goddelijke vergeving. Niet alleen omdat ze gepaard gaat met een onbegrijpelijke straf
- namelijk de dood van een onschuldig kind –
maar ook omdat die nogal vlug gegeven wordt na een
– op het eerste zicht – vlotte bekentenis.
Maar we gaan hier niet verder in op de problematiek van dit Davidverhaal. Laten we hier kijken naar wat de Bijbel over zonde en vergeving ons leert. En dat is heel veel. Niet alles kan aan bod komen….

‘Zonde’ is een religieus-godsdienstig begrip. Het veronderstelt een relatie met God.
De atheïst kan wel kwaad doen, maar kan zijn daad niet als zonde bestempelen, hoezeer hij dat woord ook gebruikt en in de mond neemt.
In ieder geval wijst het woord ‘zonde’ op het kwaad
waarvoor de mens verantwoordelijk is.
Dieren en de natuur kunnen mensen ‘kwaad doen’
in de zin van last en pijn en lijden bezorgen,
maar eigenlijk doen ze geen kwaad als een vrije en bewuste daad. Ze zondigen in ieder geval ook niet.
Net als het woord ‘misdaad’ wijst ‘zonde’ op een daad van de mens, bewust en vrij gesteld, een daad die kwaad veroorzaakt.
‘Kwaad’ is alles wat het leven en het geluk van mensen bedreigt of vernietigt, niet alleen het fysieke bestaan en welzijn, maar ook het psychische welzijn,

het vertrouwen, menselijke nabijheid, goede verhoudingen.
Kwaad is wat de mens doet lijden en ongelukkig maakt en wat de mens dus niet wil.
Nu heeft men dit ethisch begrip ook uitgebreid naar dieren en de hele schepping.
Dit heeft zich niet alleen vertaald naar de wetgeving maar ook geïmplimenteerd in het denken van de Kerk.

De mens weet niet alleen uit ervaring wat kwaad is,
maar hij beseft het ook, is er zich door een geweten van bewust.
In gelovige taal spreken we dan van ‘zondebesef’.
Dat weten drukt zich ook uit in de rechtspraak
en zorgt bij de mens verder soms voor innerlijke strijd.
In de Bijbel is het overduidelijk dat God het kwade helemaal niet wil. Hij wil en verlangt het leven en het geluk van de mensen.
Dat verlangen is het verlangen van de liefde.
Daarnaast betekent liefde het opnemen van verantwoordelijkheid voor dat leven en voor dat geluk.
Vergeving heeft met die liefde te maken.
Het Nieuwe Testament kent een overkoepelend begrip ‘zonde’,
in het Grieks hamartia, wat ook ‘fout’, ‘vergissing’ of ‘misdaad’ betekent. Het Hebreeuws van het Oude Testament kent geen zo’n begrip,
maar bezit natuurlijk wel meerdere woorden
om het kwaad, dat mensen doen, aan te duiden.
Daarbij wordt echter geen onderscheid gemaakt
tussen misdaden tegenover de mensen en deze tegenover God. Alle misdaden tegenover mensen zijn voor God ook kwaad.
Maar het Oude Testament maakt wel een onderscheid tussen het kwaad dat mensen elkaar aandoen
en het kwaad dat het volk God aandoet.
Dat kwaad situeert zich in de verbondsrelatie.
Het is ongehoorzaamheid aan de bepalingen van het verbond, aan de geboden en bepalingen ervan,
een ongehoorzaamheid die contrasteert met de trouw en goedheid van God. Die ongehoorzaamheid wordt ook een ‘vergeten’ genoemd:
men is de weldaden en de goedheid van God vergeten,
men is het verbond en zijn bepalingen en geboden vergeten.
Betekent het verbond ‘eenheid’,
leven in eenheid met God en in vrede met elkaar met zich mee, dan brengt dat vergeten scheiding en onvrede met zich mee.
Dit gegeven is ook al aan te wijzen in het zondevalverhaal in het derde hoofdstuk van het boek Genesis.
Een daad die alleen als een zonde tegen God zou zijn,
die dus alleen God bedroeft en leed bezorgt en niet de medemens,
zo’n zonde kent de Bijbel eigenlijk niet.

Het zondevalverhaal in Genesis 3 bevat een antwoord op de vraag waarom de mens zondigt, waarom de mens kwaad doet,
kwaad dat God niet wil, niet goedkeurt en bij de schepping niet voor ogen had. Het antwoord is gelegen in het menselijk bewustzijn en de menselijke vrijheid.
De mens is wel degelijk als een vrij en bewust wezen geschapen
en dat zijn de eigenschappen die de mens ook tot beeld en gelijkenis van God maken.
Kwaad doen is een bewuste en vrije wijze van omgaan
met het geschapene rondom en in ons, met alles wat ons gegeven is, een wijze die geen leven en geluk met zich meebrengt,
maar wel het tegendeel ervan.
Het verschijnen van een verleider in de gedaante van een slang in Genesis,

wijst op de aan het kwaad voorafgaande mogelijkheid om kwaad te doen. Dat de mens kwaad doet, daar is hij verantwoordelijk voor.
Dat de mogelijkheid om kwaad te doen er is, daar is hij niet verantwoordelijk voor.
Dit is hem gegeven door zijn bewustzijn en vrijheid.
Het kwaad radicaal uit de wereld willen bannen
betekent het opgeven van bewustzijn, zelfstandigheid en vrijheid, waardoor ook angst en zelfzucht verdwijnen die het kwaad genereren.
Maar meteen is dan ook de mogelijkheid van echte liefde en goedheid verdwenen die eveneens én bewustzijn én vrijheid veronderstellen.
Het zondevalverhoor suggereert als het ware
dat het kwaad zou verdwijnen als de mens hersteld kan worden
in zijn paradijselijke staat, vóór hij dus toegaf aan de verleiding om als God te worden, om eigenzinnig te worden wie hij al was.
Uit dat verlangen blijkt niet alleen een ongeloof in wie de mens is, maar ook een totaal verkeerd Godsbeeld, namelijk,
God in de zin van het bezit van kennis en almacht
dat aan het ‘ik’ onbeperkte mogelijkheden tot realisatie geeft.
Het verbond dat God met zijn volk sluit
en eigenlijk daardoor met de heel de mensheid, is het herstel van de verloren eenheid:
de mens ontvangt de kennis van de wegen die terug naar het leven leiden
en in het bewandelen van die wegen ontvangt de mens de kracht om te leven.
Reeds in het Oude Testament wordt dé weg met het woord ‘liefde’ aangeduid.

De mogelijkheid om kwaad te doen en te zondigen
wordt in de katholieke leer aangeduid als ‘erfzonde’.
De term duidt op een toestand van vervreemding
van de oorspronkelijke goddelijke natuur en eenheid, van geluk en leven, een toestand waarvan de mens slachtoffer is én medeverantwoordelijk.
De mens wordt geboren in een wereld waarin het kwade bestaat, waarin hij door het kwade als het ware aangetast en besmet wordt en waarvan hij zich blijkbaar niet kan bevrijden,
maar waarvan de mens bevrijd moet worden.
Eerder dan misstappen en zonden als niet meer bestaande beschouwen is vergeving een bevrijding uit de macht van het kwaad,
een herstel van de goddelijke oorspronkelijke gezindheid, een herstel van de liefde gericht op leven en geluk.
Vergeving heeft dan alles van een genezende act, van helen.
Het ‘heil’ dat Christus ons is komen brengen is genezing, is vergeving,
is herstel van de mens in zijn oorspronkelijke staat van eenheid met God, een staat waaraan de zonde een einde maakt, niet God.

De Bijbel laat ons twee reacties van God op het kwaad zien: bestraffing en vergeving.
Zoals het Hebreeuws geen woord voor ‘zonde’ heeft, zo kent het ook geen woord voor ‘straf’.
De straffende daden zijn quasi altijd gelijk aan wat het kwaad teweeg brengt, aan de gevolgen van het kwaad.
Daarin houdt zich een oude magische opvatting over het kwaad in, namelijk dat het kwaad dat mensen overvalt
altijd door een ander kwaad veroorzaakt wordt. In de theologie spreekt men soms in dit verband van ‘immanente gerechtigheid’.
Vergeving betekent behoud of herstel van leven en geluk,
maar houdt ook het aanvaarden van de mogelijkheid tot kwaad in,
en is dus soms een verdraagzaamheid die het kwaad verder laat bestaan.

De Bijbel laat wel zien dat vergeving eerder behoort tot het wezen van God dan de bestraffing, want als de bestraffing de gevolgen van het kwaad inhoudt, dan is het precies dat wat God niet wil.
God verdraagt zijn eigen gericht niet.
God wil niet de dood en het lijden, maar leven en geluk. God verdraagt zijn eigen straffen niet!
Hoe zou Ik echter u kunnen prijsgeven, Efraim, u kunnen overleveren, Israël?
Hoe zou Ik u kunnen prijsgeven, alsof gij Adma waart, of met u kunnen doen zoals met Seboim?
Mijn hart slaat om, heel mijn binnenste wordt week. Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen, Efraim niet opnieuw te gronde richten.
Want Ik ben God, Ik ben geen mens, Ik ben de Heilige in uw midden. Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn. (Hosea 11, 8-9)
Vergeving is het ongedaan maken van het kwaad en zijn gevolgen.
Vergeving behoort tot het wezen van God
en is een ander woord voor erbarmen of liefde. God die vergeeft is God die trouw is aan zichzelf. Het Oude Testament zou zeggen:
God is trouw aan zijn beloften die leven en geluk toezeggen. Geloven in de vergeving van de zonden is geloven in wie God is en wat God voor de mens wil zijn en wil doen en betekenen.
Dat is de boodschap van het evangelie, geen andere dan deze van het Oude Testament.
Behalve dan dat die vergevende God verschenen is in de mens Jezus van Nazaret in wie Gods Geest werkzaam is en die die Geest ook aan alle mensen schenkt.
De mogelijkheid van het kwaad is eigenlijk overwonnen door de mogelijkheid van herstel.
Bovendien heeft de zich openbarende God zich radicaal met de mens solidair opgesteld.
Hij is aan de mens gelijk geworden, niet als aanstichter van het kwaad, dus niet in de zonde, maar wel als slachtoffer van het kwaad,
kwaad dat hij verdragen en vergeven heeft.
Geloven in de vergeving van de zonden
is geloven dat het kwaad niet het laatste woord heeft.