tekst en onderricht mei 2026
OPEN CONTEMPLATIEF HUIS
LEERHUIS VOOR BIJBELSE SPIRITUALITEIT
38ste werkjaar 2025-2026
“IK GELOOF IN…”
BIJBELSE GRONDSLAGEN VAN ONZE GELOOFSBELIJDENIS
Efeziërs 2, 13-22
Matteüs 16, 13-18
“Ik geloof in de katholieke Kerk”.
Zo zeggen we in de apostolische geloofsbelijdenis. In de geloofsbelijdenis van Nicea luidt het:
“Ik geloof in de ene, heilige, katholieke en apostolische kerk.”
Het is wellicht een ‘artikel’ van de geloofsbelijdenis waar velen het moeilijk mee hebben.
Misschien is het wel het weerbarstigste artikel.
Christus: ja. De Geest: OK. God: misschien. De Kerk: nee. Zo zou je ook kunnen horen bij velen die zich gelovig noemen en zelfs bij velen die in de Kerk een taak op zich nemen.
Indien ‘geloof’ synoniem is voor ‘vertrouwen’ - en dat is het - dan is het vertrouwen in de Kerk bij velen ver te zoeken.
Er zijn tal van redenen die het ‘ongeloof’ en dus het ‘wantrouwen’ in de Kerk erg begrijpelijk maken en zelfs meer dan aanvaardbaar.
Maar toch schuilen in dat zeer dikwijls vlug geproclameerd wantrouwen enkele gegevens die kritisch benaderd mogen en kunnen worden.
Vooreerst wordt meestal met het begrip ‘kerk’
verwezen naar een instituut met nog altijd grote maatschappelijke betekenis en ook wel met een economische betekenis.
Men denkt aan een instituut dat zich onderscheidt van de burgerlijke samenleving.
En velen denken bij het begrip ‘kerk’ alleen aan de leiding ervan
en aan de clerus en de religieuzen.
Vervolgens wordt bij verwijzing naar schandalen vlug alles en iedereen over dezelfde kam gescheerd en veroordelend benaderd.
Daarbij wordt nogal eens al het goede dat door en in de Kerk geschiedde met de mantel van de kritische historische benadering toegedekt.
Maar voor wie kerkbetrokken is, gelovig is of even genuanceerd nadenkt is de kerk ook steeds de verzameling van alle gedoopten,
is ze het lichaam van Christus en de plaats van goddelijke openbaring. Ze is wat ze tegelijkertijd moet zijn en worden.
Daarom klinkt dit fragment van een dankgebed zo eerlijk en heerlijk:
Maak Uw Kerk in deze tijd opnieuw
tot een huis van waarheid die bevrijdt, van gerechtigheid die vrede schept, van hoop die alle angst verdrijft.
Bovendien zijn er uiteraard meerdere ‘kerken’.
De Wereldraad van Kerken verenigt er 352
en daar is de Rooms Katholieke Kerk (RKK) geen lid van, maar nauw samenwerkend. Van belang is de erkenning van het doopsel en van de geloofsbelijdenis van Nicea.
En in de RKK is ieder bisdom eigenlijk een volwaardige kerkgemeenschap. De universele Kerk is een verzameling van kerken. De RKK is dat ook.
De Kerk is een menselijk en historisch gebeuren en instituut
maar dat heeft wel degelijk een bijbelse en evangelische grondslag,
hoewel het woord ‘kerk’ slechts tweemaal in de evangelies voorkomt, tweemaal in erg gelijkaardig klinkende passages van het Matteüsevangelie. In de zgn. belijdenis van Petrus horen we Jezus zeggen.
16, 17 “Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona,
want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is.
18 Op mijn beurt zeg ik u: Gij zijt Petrus,
en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen
en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.
19 Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen n wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde,
zal ook in de hemel ontbonden zijn.”
En als Jezus het heeft over de broederlijke vermaning, zegt Hij:
18, 15 Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen.
16 Maar luistert hij niet, haal er dan nog een of twee personen bij, opdat alles beruste op de verklaring van twee of drie getuigen.
17 Als hij naar hen niet wil luisteren, leg het dan voor aan de Kerk. Wil hij ook naar de Kerk niet luisteren,
beschouw hem dan als een heiden of tollenaar.
18 Voorwaar, Ik zeg u: wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn,
en wat gij zult ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn.
‘ekklèsia’ is het Griekse woord dat in de grondtekst te lezen is. Letterlijk: ‘hetgeen geroepen is uit’.
Het woord verwijst naar de volksvergadering:
mensen worden uit hun huizen en wijken samen geroepen.
Meteen kan men ook denken dat de Kerk de verzameling is van mensen die uit deze wereld geroepen zijn tot een ander en nieuw leven.
De vraag stelt zich of deze twee passages in het Matteüsevangelie zgn. ipsissima verba van Jezus zijn. Velen denken van wel.
Hoe dan ook, van het Griekse woord ‘ekklèsia is in ieder geval het Franse woord église afkomstig terwijl het Nederlandse kerk, het Duitse Kirche en het Engelse church afkomstig zijn
van het Griekse adjectief kuriakos, hetgeen ‘van de Heer (kurios)’ betekent. En dit adjectief komt ook slechts tweemaal in het Nieuwe Testament voor. In 1 Kor 11,20 is sprake van de ‘maaltijd van de Heer’
en in Openbaring 1, 10 van ‘de dag van de Heer’.
Het woord ‘ekklèsia komt wel veel veelvuldig voor in het Boek van de Handelingen, in de brieven van Paulus en in het Boek van de Openbaring,
en het duidt er de beginnende kerk van Jeruzalem aan of andere plaatselijke kerkgemeenschappen.
Het Hebreeuwse equivalent zou qahal kunnen zijn en het wordt in het Oude Testament gebruikt
om het samengeroepen volk van God mee aan te duiden, het volk van God dat drager is van de belofte aan Abraham
en het volk van God met wie God bij de Sinaï een verbond sluit.
De Kerk als menselijk en historisch gebeuren heeft nu zijn grondslag in twee andere historische gebeurens.
Het eerste is het historische optreden van Jezus van Nazaret met zijn oproep tot bekering, geloof en navolging,
met de roeping en de zending van de twaalf apostelen
en met de aanstelling van Petrus als hoofd van een gemeenschap,
door Jezus vaak als ‘kudde’ aangeduid.
Hij creëerde daarmee een nieuw Godsvolk, een nieuw Israël.
De zending van de leerlingen en de creatie van een nieuw Godsvolk werd door de Verrezene bestendigd en geuniversaliseerd.
Kan men dan Jezus als de stichter van de Kerk aanduiden?
Nee, als men daarmee de historische verschijningen en vormen van kerken bedoelt. Ja, als men bedenkt dat er van Kerk geen sprake zou zijn zonder Jezus’ optreden en dat de Kerk eigenlijk het logische historische gevolg is van dat optreden.
Het tweede historische gebeuren is de missionering van de apostelen die gezien wordt als het werk van de Geest van de verrezen Heer, de Geest die aan de leerlingen geschonken werd
en waardoor ze de zending van Jezus verder zetten:
oproep tot geloof en bekering en verzameling van een Godsvolk. De Kerk kan beschouwd worden als een stichting van de Geest.
De Kerk is dus een erg menselijk gebeuren, een menselijke instelling en toch is ze het werk van Gods Geest, door God gewild.
Ze is sacrament, teken en instrument van Gods liefde.
Ze is geroepen om tot zegen te zijn voor heel de mensheid zoals ook Abraham en ook Israël daartoe geroepen waren. Tot Abraham sprak God:
Genesis 12, 3 Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde.
De Duitse exegeet en theoloog Gerhard Lohfink schreef onomwonden
dat God de Kerk nodig heeft zoals Hij ook een mens als Abraham nodig had.
Om zijn liefde te openbaren heeft Hij concrete mensen nodig
en die openbaring begint ooit en ergens bij één mens, één volk, één gemeenschap. Ook het Rijk Gods begint bij één mens, een groepje mensen, een gemeenschap.
De Kerk is het zichtbare teken van Gods onzichtbaar handelen van het handelen van de Christus in de wereld,
van Christus zelf die al sacrament van God is.
De Kerk maakt deel uit van het Christusmysterie. Dat is duidelijk in de ecclesiologie van Paulus:
de Kerk is het lichaam van Christus,
uitverkoren om met Christus gelijkvormig te zijn; de Kerk is de tempel van Gods Geest;
de Kerk is door God gewild;
God is de eigenlijke stichter van de Kerk.
En wat van de Kerk gezegd wordt geldt voor ieder christen, voor iedere gedoopte. De Kerk is dus één en heilig,
één omdat ze één is met Christus, heilig omdat ze uitverkoren is. Maar ook hier geldt dat ze moet worden wat ze in wezen is.
Ze is apostolisch omdat ze de zending van de apostelen verderzet. Ze is de verzameling van mensen die het nieuwe leven omarmen en ze is de verzamelende.
En daarin is ze ‘katholiek’: katha-’olos-gè, ‘over/voor de gehele aarde’. Iedere ware kerkgemeenschap is ‘katholiek’, niet alleen de Roomse.
De volheid van het christen zijn is er ook voor ieder gedoopte. En de Kerk is de gemeenschap van de heiligen,
onderling verbonden door het doopsel en de belijdenis en de navolging, onderling verbonden door liefde en solidariteit,
verbonden met de ‘heiligen in de hemel’.
De Kerk is het Rijk Gods op aarde, in wezen en roeping. Maar helemaal nog niet in haar historische gedaante.
Ze is het volk van God onderweg.
Ze is desalniettemin een koninklijk priesterschap,
delend in het Christusmysterie, in Christus’ sacrament zijn, priester zijn.
Ieder deelt door het algemeen priesterschap in de Kerk,
als lid van de verzamelde gemeenschap in het Christusmysterie en ontvangt daartoe charismata, genadegaven.
Maar niet ieder ontvangt ambten in die Kerk
om Christus’ zending verder te zetten, te verzamelen en te leiden.
Lezing:
De Kerk is heilig omdat zij Christus, de Heilige, tot grondslag heeft en de Geest van heiligheid heeft ontvangen. Dat heiligheid aan de oorsprong en aan de grondslag van de Kerk ligt, betekent helaas niet dat alle gedoopten met een aureool van deugdzaamheid rondlopen. De heiligheid is goddelijk. Ze is in de Kerk aan het werk om van weerbarstige mensen een volk van heiligen te maken. Niet alles wat de Kerk in de loop van de geschiedenis heeft gedaan of gelaten is dus heilig, dat zeiden we eerder al, en evenmin zijn al haar leden heilig. Wel heeft ze in het verleden talrijke heiligen voortgebracht en doet ze dat ook nu nog. Telkens waren de vormen van heiligheid aangepast aan de tijd en de cultuur. Heiligheid is iets wat je krijgt. Het is een oproep en een roeping. En die geldt voor alle gelovigen.
(Bernard SESBOÜÉ, Ik geloof. Een uitnodiging voor de 21ste eeuw)