Onderricht 17 oktober 2017

Bron: Thomas KEATING, The Human Condition. Contemplation and Transformation, Paulist Press, New York

We zijn in het onderricht deze avond aangekomen bij de laatste bladzijden van het werk van Thomas Keating The Human Condition. Contemplation and Transformation en dus aan het laatste deel van het hoofdstuk Contemplation and the Divine Therapy.
Het vorige onderricht eindigden we met het inzicht dat
mediteren altijd iets inhoudt van het vernederend loslaten van het ik,
het ik dat zijn rol speelt en zich daar goed bij voelt,
ook al is die rol een spiritueel georiënteerd leven.
Vooral dan lijkt loslaten van het ik heel essentieel.
Maar de wijze waarop ik het inzicht zo even formuleerde
dient gecorrigeerd te worden.
Ik had het over het vernederend loslaten van het ik,
maar evengoed en misschien beter kan gesteld worden dat het gaat om
het vernederd loslaten van het ik,
nl. dat mijn spiritueel pad me in een vernederende situatie gebracht heeft.
Keating zegt dat God ons in die situatie brengt als we er klaar voor zijn.


Over welke situatie gaat het?
Het gaat over een innerlijke toestand van duisternis,
droogte en verwarring waarin we denken dat God ons verlaten heeft
omdat we de innerlijke vertroosting van het begin,
omdat we het emotionele elan van het begin niet meer ervaren,
datgene waarmee God ons naar binnen gelokt heeft.
Deze gemoedstoestand kan bijzonder heftig zijn bij mensen
die in een vroegere fase van het leven zich afgewezen hebben gevoeld
en zich nu zeer hechten aan innerlijke vertroosting
en allerlei vormen van innerlijke emotionele bevestiging.
Maar wat doet ons denken dat God ons verlaten heeft?
Wat doet ons water als droog aanvoelen of vuur als koud?
Want God kan ons niet verlaten.
Hij is per definitie aanwezigheid.
Hij is gewoon naar de kelder verhuist en zit daar te wachten.
Hij is ‘afgedaald’ en wacht op ons in wat wij als dood ervaren.
Het heeft de verdieping verlaten van de emotionele vertroostingen,
ook deze die we ervaren in riten en praktijken.
Geloof wordt gewoon bewust zijn van Gods aanwezigheid
zonder emotionele innerlijke ervaring,
wordt geloof in Gods goedheid zonder ze te smaken.
“Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven.”
God ontsnapt dus aan de tyrannie van onze emotionele geluksprogramma’s
en wil ons daar ook van bevrijden, bevrijden van
‘het ik voel me gelukkig als ik me goed voel’.
Je goed voelen is niet slecht en vormt geen probleem.
Het probleem is hoe je er mee omgaat?
De problematische omgang is de gehechtheid er aan.
Als we van die gehechtheid bevrijd worden –
ook van andere emoties als verdriet of woede –
kunnen we ontdekken en worden wie we zijn.
Want we identificeren ons vaak met onze emotionele gehechtheid,
zoals we ons ook identificeren met de rol die we spelen.
Een duidelijk voorbeeld van zo’n identificatie is de ‘slachtofferrol’.
Zolang we aan een rol of aan emoties vasthouden zijn we onszelf niet
en kunnen we ook geen zuivere verschijning, openbaring zijn van Gods liefde.
We dienen rollen en emotionele gehechtheden los te laten
in de overtuiging en met het groeiend bewustzijn dat we onze ‘rol’,
hoe waardevol in eigen ogen en die van anderen ook, niet zijn,
dat we onze gevoelens niet zijn,
dat we ook niet samenvallen met ons uiterlijk.
Ontdekken wie we werkelijk zijn is het doel van onze spirituele reis.
Ontdekken dat we niemand zijn van al diegenen
die we denken te moeten zijn of die we gezegd worden te moeten zijn,
ontdekken dat we niemand zijn
brengt ons tot de ontdekking van wie we werkelijk zijn.
Ontdekken dat je geen identiteit hebt
brengt je tot de ontdekking van je ware Zelf
en tot de ervaring van dit Zelf als onvoorwaardelijk bemind
en manifestatie van onvoorwaardelijke liefde.
Meditatie is het loslaten van alle gedachten, beelden en emoties,
alle verwachtingen ook waarmee we ons identificeren,
vooral ook onze spirituele ideaalbeelden.
Meditatie is voor God plaatsnemen en aanvaarden ‘I am nothing’.
Dan zijn we klaar voor de komst van God en het beleven van eenheid.