HOMILIE 3° zondag veertigdagentijd A 2026

 

 

Abt Westvleteren kleinHOMILIE   3° zondag veertigdagentijd A


Broeders en zusters,

Op onze veertigdaagse tocht naar Pasen zijn we aangekomen op onze derde halteplaats. Na de zondag van de bekoringen en de zondag van de transfiguratie volgen nu drie zondagen met telkens een ‘thema’ verbonden met de christelijk initiatie – de doop. Vandaag – ‘water’; volgende zondag ‘licht’ en de zondag daarop ‘leven’. Het gaat telkens om een gave van boven, een geschenk, iets dat de mens ontvangt van God. Jezus zegt ons vandaag: Als ge enig begrip had van de gave Gods. Als ge wist wat God u wil schenken.
De eerste lezing raakt al ons thema aan en wel als gebrek, als tekort: De Israëlieten leden tijdens de woestijntocht hevige dorst. En wat brengt dit gebrek teweeg: ontevredenheid, gemor, protest tegen Mozes, zelfs bijna met geweld – ze staan op het punt mij te stenigen. Het toont hoe mensen reageren bij tekort: ze komen op voor zichzelf, zij beschuldigen anderen, ze eisen. Dat gebeurde toen in de woestijn. Maar, zusters en broeders, het gebeurt nog steeds. Mozes noemde die plek Massa en Meriba vanwege de verwijten der Israëlieten en omdat ze God hadden uitgedaagd door zich af te vragen: ‘Is de Heer nu bij ons of niet?’ Het brengt tot tweedracht, tot verdeeldheid.


Psalm 95 doet ons telkens weer bidden: het is heden! hoort naar zijn stem: verhardt niet uw hart als bij Meriba, als bij Massa, toen in de woestijn.

In het evangelie hebben we een gelijkende aanvangssituatie. Twee mensen met dorst, tekort aan water. Een vrouw uit Samaria die op het middagmuur water komt putten. En Jezus, die aan de put zit – vermoeid van de tocht en die aan de vrouw vraagt: Geef Mij te drinken. Jezus vraagt. Jezus eist niet. Hij toont zijn nood, zijn tekort. Maar de vrouw gaat er niet zomaar op in. Nee, ze wijst op het onbetamelijke van de vraag: hoe kan Hij, een Jood, nu te drinken vragen aan een Samaritaanse. Er klinkt superioriteit in, zich stellen boven, een soort hooghartigheid. Jezus geeft zich niet zomaar gewonnen. Het gesprek tussen beide gaat een andere kant op. Jezus begint te spreken over een ander water, een andere dorst. Hij spreekt over ‘levend water’ dat Hij kan geven – een gave Gods. De vrouw blijft echter in haar register: hoe zou U dat kunnen? Gij hebt niet eens een emmer en de put is diep. Jezus poogt de rollen om te keren, maar het schijnt te mislukken. Toch probeert hij nog eens: het water dat Hij te drinken geeft, lest de dorst voor altijd. Het wordt in de mens tot een waterbron, opborrelend tot eeuwig leven.
Nu lijkt de vrouw geraakt en zij vraagt: Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en hier niet meer moet komen om te putten.
Er is ontmoeting. Horen hoe de toonaard in de woorden van de vrouw verandert? Niet meer beschuldigend, niet meer oordelend, niet meer van boven af, maar eerbiedig: ‘Heer’ en vragend. Er is een open ruimte ontstaan voor ontmoeting en wel juist daar waar geen ontmoeting mogelijk of wenselijk was: Joden onderhouden immers geen betrekkingen met Samaritanen.
Het gesprek gaat verder. Jezus vraagt de vrouw: Ga uw man roepen en kom dan terug. 
Jezus ziet dieper: hij raakt de verborgen wonde van de vrouw. Zij heeft geen man, maar ze heeft er wel vijf gehad. Het gaat om meer dan lichamelijke dorst, het gaat om dorst naar waarheid. En waarheid bevrijdt. Wanneer men de waarheid omtrent zichzelf leert zien en niet uit de weg gaat (Hij heeft me alles verteld wat ik gedaan heb), dan krijgt men oog voor zijn diepere dorst. Jezus legt die waarheid niet bloot om de vrouw te beschuldigen, te oordelen, maar om haar te redden, om haar echte dorst op het spoor te komen. Dorst naar waarheid wordt dorst naar aanvaarding, dorst naar een liefde die blijft.
De vrouw beseft: de man die met haar spreekt is niet zomaar iemand. Hij is een profeet. Hij is thuis in de dingen van God. Zo stelt ze nog een verdere vraag over het verschil in geloofsuiting tussen Joden en Samaritanen: bidden op de berg in Samaria of in Jeruzalem. Maar Jezus overstijgt: de ware aanbidders zullen de Vader aanbidden in geest en waarheid. De vrouw is nog dieper geraakt. Hier is meer dan een profeet. Hier is de Messias, de Gezalfde Gods. Jezus ontmoeten in wie Hij echt is, geneest. De gemarginaliseerde vrouw, die haar waarheid leert zien in de ontmoeting met Jezus, loopt nu naar de stad en spreekt haar medemensen aan. Ook dit over en weer wordt hersteld –  weg het verharde hart, de tweedracht voorbij. Zij vertelt onomwonden de waarheid – bevrijd. Zij wordt tot getuige.
Water, dorst. Op het einde van het Johannesevangelie horen we op het kruis Jezus nogmaals zeggen: Ik heb dorst. Hij, de enige die onze dorst kan lessen, heeft dorst. Ik vermoed dat we nu dieper kunnen horen wat hier gezegd wordt. Zusters en broeders, wij hebben dorst naar Gods liefde – Mijn ziel lijdt dorst naar God, naar God die leven is,  zongen wij bij de intrede – dorst naar aanvaarding, naar groeien in de waarheid van de mens die we zijn zoals wij zijn. Paulus zegt het zo sterk in de tweede lezing: Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken. Maar diezelfde God hunkert naar onze wederliefde. Hij verlangt naar ons. Hij dorst naar ons. Hij wordt in ons een bron van levend water! Amen.