Homilie Tweede zondag A 2026

Tweede zondag A Jes 49,1...6 1 Kor 1,1-3 Joh 1,29-34
Wat mij opvalt in het evangelie van deze zondag is het werkwoord
‘zien’. Er zijn maar twee acteurs: Johannes de Doper en Jezus. Alleen Johannes is aan het woord. Hij ‘ziet’ Jezus naar zich toekomen. Dit ‘zien’ wordt een vorm van ‘inzien’. Hij ziet in dat deze Jezus het Lam van God is dat de zonden van de wereld wegneemt. Hij ‘ziet’ ook in dat Jezus die na hem komt, eigenlijk al voor hem was. Eveneens ‘ziet’ hij nu wat zijn roeping als Doper precies betekent: de openbaring van Jezus aan Israël. De Doper heeft de Geest als een duif op Jezus ‘zien’ neerdalen en op Hem blijven rusten. “Ik heb ‘gezien’ en ik getuig”, zegt de Doper. Wat leert ons dit ‘zien’ van de Doper?
Onze ogen en onze manier van kijken spelen een essentiële rol in onze spirituele groei. “Maak mijn ogen nieuw dat ik zien mag”, bidden wij met psalm 119,18. “Heer, maak dat ik zien kan”, vraagt de blinde Bartimeüs aan Jezus. (Mc 10,51). “Heer, open onze ogen”, vragen de twee blinden bij Matteüs aan Jezus.
Blindheid is in de Bijbel niet zozeer van biologische, maar van spirituele aard: blind zijn voor de Heilige Geest. Johannes de Doper ziet de Geest op Jezus neerdalen. De Geest maakt hem ziende. Jezus zegt in het verhaal van de blindgeborene dat Hij in de wereld is gekomen opdat niet-zienden zouden zien en zienden blind worden (Joh 9,39). Ziende worden, dat is in een mensenleven heel de werking van de Heilige Geest! Het is de Geest die ons hart voorbereidt, onze kijk op de dingen bepaalt en onthult wat nog verborgen is. Door de Geest gaan we herkennen wat we verwachten maar nog niet kennen. Dat is de magie van de Geest. Hij schept in ons het verlangen om te zien; Hij geeft ons ogen die kunnen zien; Hij verlicht wat nog verborgen is. Wij moeten aan de Heilige Geest de bekering van onze ogen vragen: “Heer, maak mijn ogen nieuw dat ik zien mag”.
“Zie het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt.” Deze woorden van de Doper bij de ontmoeting met Jezus zegt de priester aan het eind van elke Eucharistieviering, juist vóór de communie, terwijl hij het Lichaam van Christus opheft. “Zalig zij die uitgenodigd zijn aan de maaltijd van de Heer. Zie het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt.”. Het gaat om het mysterie van de ontmoeting met Christus. Deze verzen verwoorden de intensiteit van die ontmoeting. De ontmoeting van
Johannes met Jezus aan de oevers van de Jordaan is zowel het prototype van elke ware ontmoeting, als van onze eigen ontmoeting met de Heer Jezus. Als we ons voorbereiden op de communie, worden ook wij gegrepen door de ontmoeting, van aangezicht tot aangezicht, met Hem die doopt met de Heilige Geest en met vuur. Maar opdat deze ontmoeting zich kan verwerkelijken moeten we, zoals de Doper, ons hart erop voorbereiden.
Alles begint met verlangen en verwachting. Johannes verwachtte iets maar hij wist nog niet wat hij verwachtte. Daarom zegt hij tot tweemaal toe: “Ook ik kende Hem niet”. God schiep in de mens een verlangen. De mens verlangt oneindig en in alle richtingen, maar de Heilige Geest verheldert ons verlangen. Hij toont ons de weg naar ons diepere verlangen, dat altijd een verlangen naar God is. Johannes ziet Jezus naar zich toekomen en hij begint in te zien dat deze mens beantwoordt aan zijn verlangen. Hij realiseert zich evenwel dat Jezus iemand is die zijn verwachting overstijgt. Dat is een van de paradoxen van ons christelijk geloof. Jezus die we verwachten en verkondigen, kennen we niet echt. “Midden onder u staat Hij die gij niet kent”, klinkt een kerklied.
Hoe dichter we Jezus naderen, hoe meer Hij ons ontsnapt. Hoe we het Evangelie ook lezen en eruit leven, hoe innig ons gebed ook wordt, nooit kunnen we op Jezus beslag leggen. Hij is groter dan ons verlangen. Hij is de Zoon van God: Hij rekt ons verlangen uit naar oneindigheid. “Wie Mij ziet, ziet de Vader”, zegt Jezus tegen Filippus (Joh 14,9).
Als we dus de stem van de profeet Johannes horen: “Zie het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt”, kunnen ook wij ons verlangen verdiepen door Hem in de nederige gedaanten van brood en wijn te herkennen als onze Heer, gestorven en verrezen voor het heil van de wereld. Moge de Heilige Geest ons daartoe zuivere ogen geven, de ogen van de duif, de ogen van het geloof.
Broeder Guerric Abdij van Prébenoît