Homilie Tweede Paaszondag 2026
T
Tweede Paaszondag A Hand 2,42-47 1Petr.1,3-9 Joh.20,19-31
Pasen is het feest van de vreugde en de blijdschap want Jezus is verrezen. Maar toch... als we het evangelie goed beluisterd hebben, vinden we bij Jezus’ leerlingen maar weinig vreugde en enthousiasme. We zijn eerder getuige van onrust, paniek en tegengestelde reacties: de ene gelooft, de andere gelooft niet. De eensgezindheid van de jonge Kerk, zoals beschreven in de Handelingen van de Apostelen, is er nog niet te vinden. Integendeel, de leerlingen zijn bang en hebben hun deuren gesloten uit vrees voor de Joden.
Kunnen we wel echt Pasen vieren en aan de vrede en vreugde deelachtig worden, als we niet echt geloven dat Jezus verrezen is? Maar dat geloof is niet zo vanzelfsprekend. Dat is wat het evangelie ons vandaag duidelijk wil maken. We ontmoeten in dat evangelie een leerling, een ooggetuige, die veel moeite heeft te geloven dat Jezus verrezen is. We kennen hem allemaal, die ongelovige Thomas. Misschien werd er vroeger vanuit de zekerheid van het geloof wat op hem neergekeken, maar we zijn hem de laatste tijd sympathieker gaan vinden. Tegenwoordig is hij degene die het dichtst bij onze kritiek en onze twijfels staat.
Het sympathieke van Thomas is dat hij nogal wat moeite heeft met wat zijn medeleerlingen hem vertelden over de verrijzenis van Jezus. Wanneer we dat verhaal echter goed lezen, dan zien we dat het eigenlijk niet over Thomas maar wel over Jezus gaat. We zien hoe Jezus die Thomas uit zijn miserie en isolement haalt en hem terugbrengt in de groep van de leerlingen, om hem zo te laten delen in de vreugde van de verrijzenis.
Thomas was er niet bij toen Jezus voor het eerst aan de leerlingen verscheen. Hij was er letterlijk niet bij, maar ook figuurlijk niet. Hij gelooft niet dat Jezus verrezen is. Zo stelt hij zich op buiten de rij van de leerlingen en houdt koppig vast aan zijn eigen oordeel. Daarom juist wordt hij bitter en stelt eisen waarvoor de anderen huiveren. Alvorens te geloven eist hij dat hij zijn vinger op de plaats van de nagels kan steken en zijn hand in Jezus’ doorboorde zijde leggen. Wat Thomas hier eist is eigenlijk een aanfluiting op wat geloof is. Geloven immers kan nooit gebaseerd zijn op controleerbare feiten want dan heb ik geen geloof meer nodig: ik kan het immers vaststellen en zien. Geloven bestaat er ook niet in
dat ik dingen zie die niemand ooit gezien heeft. Neen, geloven betekent dat ik dezelfde dingen zie die iedereen ziet, maar dat ik ze met andere ogen zie. Geloven is een interpretatie van dezelfde feiten, een visie op dezelfde realiteit. En daar had de apostel Thomas heel wat moeite mee. De Jezus waarvan hij gedroomd en waarin hij geloofd had was er niet meer. Hij was als een crimineel op de schandpaal gestorven. Zijn droom was één grote illusie en mislukking geworden.
Acht dagen later komt Jezus terug bij de apostelen en deze keer is Thomas er wel bij. Jezus gaat Thomas ophalen waar hij is blijven steken, daar bij het Kruis, bij die ogenschijnlijke mislukking van het Kruis. Kom maar zien, zegt Jezus, kom maar zien en betasten. De wonden en het lijden horen wezenlijk bij de verrezen Heer. Dat had Thomas niet verwacht, daartegen had hij zich verzet. Hij kon niet geloven dat door de mislukking heen het werkelijke heil gerealiseerd was. De vrede en de vreugde van Pasen sluiten noodzakelijk de sporen van het lijden in. Dat heeft Thomas mogen zien en inzien. Zijn eisen vervallen en worden omgebogen in een gelovige belijdenis: “Mijn Heer en mijn God”.
Vaak heb ik de indruk, broeders en zusters, dat mensen die barmhartig en vredelievend in het leven staan, ooit op de een of andere manier de ervaring van Thomas gekend hebben. Zij gaan niet met een grote mond en met het gelijk aan hun kant naar hun medemensen toe, maar eerder bescheiden en bewust van eigen falen. Juist omdat ze door het dal van hun eigen mislukken zijn gegaan, zijn ze pretentieloze, zachtmoedige mensen geworden waar anderen zich spontaan thuis en goed bij voelen. Zij zijn de levende getuigen van Gods barmhartige liefde voor de mensen. Zij zien de duizend wonderen om zich heen, waar anderen stekeblind voor blijven. Zij beleven hartstochtelijk vreugde en liefde in een wereld waar niemand nog iets goeds over weet te zeggen. Het zijn mensen die van het pad van succes, carrière en macht zijn afgestapt. Met hun bescheiden overtuiging, maar toch met groot vertrouwen, zijn ze voorgoed een weg opgegaan waarvan ze niet weten wat die hun zal brengen. Ze weten alleen dat Degene die hen op deze weg gebracht heeft, hen nooit in de steek zal laten. Ze vertrouwen erop dat wat Hij in hen begonnen is, het ook eenmaal zal voltooien. Zalig zij die niet zien en toch geloven.
Br. Guerric Aerden ocso