Homilie Vierde zondag van Pasen A 2026

Foto 2 klein br. Guerric met St BernardusV

 

 

 

 

 

 

Vierde zondag van Pasen A Hand 2,14a.36-41 1Pe 2,20-25 Joh 10,1-10

Van de aansporing uit Handelingen: “Redt u uit dit ontaarde geslacht” (Hand 2,40) loopt er een lijn naar het citaat uit de eerste Petrusbrief: “Gij waart verdwaald als schapen maar nu zijt ge teruggekeerd naar de herder en hoeder van uw zielen” (1Pe 2,25). Deze lijn mondt uit bij de beelden waarmee Jezus zich vandaag in het Evangelie openbaart: die van de ware herder en van de deur die leidt naar redding en leven in overvloed. Een deur markeert altijd de grens tussen twee ruimten, tussen een buiten en een binnen, tussen onveilig en beschermd, tussen reddeloos en redding. Gemakshalve situeren we ons aan de goede kant van de deur. En misschien is dat ook zo. Belijden we Jezus Christus niet als onze Heer, zijn we niet in zijn dood gedoopt en delen we niet in zijn verrijzenis? “Wat je wilt worden, dat ben je al in hoop”, zei de heilige Augustinus. Bevinden we ons dan niet aan de goede kant van de poort die toegang verschaft tot de Vader en tot het Koninkrijk? We kunnen het alleen maar hopen.



‘Ons redden uit dit ontaarde geslacht’, ‘ons bekeren tot de herder van onze zielen’ en ‘Jezus volgen als de goede herder’, zijn actieve en dynamische begrippen. Daar zijn we nooit helemaal klaar mee. We zijn onderweg en we bevinden ons niet op de brede weg die naar de ondergang leidt, maar op de smalle en steile die naar het leven voert. (Mt 7,13-14) En ook de deur is klein en smal, want haar naam is ‘nederigheid’ en ‘zachtmoedigheid’ en je moet diep bukken om erdoor te kunnen. We zijn dus op de goede weg, gestuwd door de dynamiek van het Koninkrijk, met Jezus die vooropgaat als onze Goede Herder. Toch volgen we Hem niet als eenling ieder voor zich. We zijn samen als Kerk onderweg, in communio met elkaar. Weliswaar zijn we allereerst verantwoordelijk voor onze eigen redding. Het eerste gebod luidt dat we in een vitale band van liefde en eenheid met God moeten leven, en alle andere werken, zowel uitwendige als inwendige, zijn daaraan ondergeschikt. De onophoudelijke herinnering aan God in het gebed van het hart is het beste middel om die vitale band met God te beleven.

Maar het tweede gebod luidt dat we de naaste moeten beminnen als onszelf. Aan de poort staat de Heer die aan ieder van ons de vraag stelt die hij aan Kaïn stelde: “Waar is je broer Abel?” “Ben ik dan de hoeder van mijn broeder?” antwoordde die. (Gen 4,9) Blijkbaar wel! De redding die we voor onszelf zoeken, moeten we

ook zoeken voor onze broeders en zusters en voor ieder schepsel. Want God bemint al wat Hij geschapen heeft en wil dat iedereen gered wordt. Sommige woestijnmonniken baden zelfs voor de bekering van de duivel, zo vervuld waren ze van mededogen en barmhartigheid. De heilige Bernardus zei eens dat als Judas Iskariot, de verrader van onze Heer, zich aan de poort van Clairvaux had gemeld, hij gered was geweest. Al deze heiligen waren vervuld van de gedachte dat niet alleen zij maar iedereen gered moest worden.

Jezus’ herderschap staat model voor het onze. Zijn we volgelingen van Christus en navolgers van God, laten we dan in onze kerk en in onze eigen kring op zoek gaan naar het verloren schaap om het desnoods op onze schouders terug naar de kudde te dragen. Als het goed gaat in een gezin, in een religieuze gemeenschap of in de kerk, dan komt dat omdat er een geest van barmhartigheid heerst die wil vergeven, integreren en bereid is ieder mens van goede gezindheid erbij te betrekken. Maar als het slecht gaat in de kerk, in een klooster of gezin, dan komt dat omdat er wordt geoordeeld, geroddeld en mensen worden uitgesloten. Men bouwt muren in plaats van bruggen en poorten. Men “weet het” in plaats van dat men “op zoek te gaat” en in de dialoog de ander wil ontmoeten. Dat zijn “dieven en rovers”, geen herders. Dat zijn farizeeërs die anderen zware lasten op de schouders leggen die ze zelf met geen vinger aanraken (Mt 23,4). Jezus was bijzonder scherp voor zulke mensen en stelde daartegenover dienstbaarheid en nederigheid.

“Ik ben de deur”, zegt Jezus ons vandaag, “wie door Mij binnenkomt, wordt gered. Hij kan in- en uitgaan en hij zal het goed hebben” (Joh 10,9). Laten ook wij dat voor anderen zijn: geen obstakel maar een deur, waardoor ze vrij in- en uit kunnen gaan en het goed hebben. Amen.

Broeder Guerric ocso  Abdij van Prébenoît