Homilie voor de tweede paaszondag – Beloken Pasen 12 april 2026
Homilie voor de tweede paaszondag – Beloken Pasen 12 april 2026
De evangelielezing van Beloken Pasen is het slot van het Johannesevangelie. Johannes wijst in het laatste vers ervan naar het doel van zijn evangelie:
opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt in zijn Naam.
Hij wil opwekken tot geloof, geloof dat leven schenkt.
Liefde is het verlangen naar het leven en het geluk van de geliefde.
God verlangt dat we leven, echt leven en Hij zorgt er voor dat wij dat kunnen. Daartoe heeft Hij ons zijn Zoon gegeven.
Die zegt in een nachtelijk gesprek met de farizeeër Nicodemus:
Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,
opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. (Joh 3, 16)
We weten al lang dat geloven meer is dan het aannemen van waarheden. Het geloof dat ons het leven schenkt is de navolging van Christus,
is het deelnemen aan het leven van de verrezen Heer, is deelnemen aan de verrijzenis. En verrijzen is opstaan tot een nieuw en ander leven.
Het is het leven waarin we Christus herkennen als onze ‘Heer en God’ en we ons niet meer laten leiden door de goden van de wereld,
bezit en macht en eigenbaat.
Het is een leven waarin de normen van de wereld niet meer tellen, de normen die een vertaling zijn van angst en zorg voor zichzelf,
de normen en wetten die muren bouwen en deuren sluiten.
De verrezen Heer en allen die in eenheid met Hem leven
houden met gebouwde muren en gesloten deuren geen rekening.
Deelnemen aan de verrijzenis doen we
als gevolg van een ontmoeting van de verrezene Heer die ons aanraakt,
een eigen verrijzeniservaring, een hergeboorte, een opnieuw geboren worden, waarbij we de Geest en de gezindheid van Christus ontvangen,
waarbij die gezindheid ons ingeblazen wordt, ons inspireert.
Maar van groot belang is nu het inzicht dat die verrezen Heer ons ontmoet, verschijnt, in de gedaante van de gekruisigde, in de lijdende mens,
in de hongerige, de dorstige, de vluchteling, de naakte, de zieke, de gevangene. In de parabel van het zgn. laatste oordeel is het de verrezen Heer die zegt:
Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt
voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan. (Mt 25, 40)
Het is door de liefde, de zorg voor de arme en lijdende mens,
het opnemen voor hun leven en geluk, dat we deelnemen aan de verrijzenis, dat we echt leven in eenheid met de verrezen Heer.
Die dienende levenshouding betekent de dood
van het louter voor zichzelf zorgende ‘ego’ dat zich centraal stelt in ons denken en doen.
Natuurlijk zijn er ook andere aspecten van het leven in eenheid met Christus. De beschrijving van het leven de eerste christenen wijzen die aan:
onderlinge eensgezindheid, onderlinge solidariteit, dus zorg voor ieders behoeften en noden,
maar ook trouw aan het gebed, aan het sacrament van de eucharistie, en verder samen genieten in blijdschap en eenvoud,
God dankend en lovend voor al het goede dat we ontvangen en doen.
Het evangelie wijst nog op een belangrijk aspect
van het deelnemen aan de verrijzenis, van het leven in eenheid met de verrezen Heer: vergeving en verzoening.
Misschien begint dat deelnemen aan de verrijzenis wel daarmee: dat we in staat zijn te vergeven,
medemensen de kans geven om ook op te staan tot een nieuw en ander leven.