Homilie voor de 5de paaszondag A 3 mei 2026
Homilie voor de 5de paaszondag A 3 mei 2026
Handelingen 6, 1-7
Psalm 33
1 Petrus 2, 4-9
Johannes 14, 1-12
De evangelielezing van deze 5de paaszondag
is een deel van Jezus’ afscheidsrede in het evangelie van Johannes. Dit deel bevat een sterke oproep tot geloof, tot vertrouwen.
Dat vertrouwen staat tegenover angst, innerlijke onrust, onrust van het hart. Die onrust is het gevolg van een verkeerd emotioneel denken, namelijk,
dat het heengaan van Jezus gescheidenheid en eenzaamheid met zich meebrengt, verlatenheid in een vijandige wereld, in een leven vol bedreiging.
Jezus wijst dit denken duidelijk af als onwaar.
Het denken over de wereld is wel correct
maar niet de vrees van gescheidenheid, eenzaamheid en verlatenheid. Tegenover die foute vrees plaats Jezus de belofte en dus de zekerheid dat Hij zal terugkeren en dat Hij de leerlingen zal opnemen,
opnemen in eenheid met Hem, in eenheid met God ook, want Hij en de Vader zijn volmaakt één.
Die eenheid en gemeenschap zal een innerlijke eenheid en gemeenschap zijn, zoals ook Jezus’ aanwezigheid een innerlijke aanwezigheid is.
Hij zal niet terugkeren en letterlijk ons handje vasthouden.
Hij zal niet bij ons zijn en ons voortdurend letterlijk en fysiek omarmen en knuffelen. Zijn aanwezigheid is deze van zijn Geest in ons.
De gemeenschap met Hem is een gemeenschap van geest en hart, een gemeenschap die ook onder mensen de belangrijkste is
en liefst vooraf gaat aan en aan de basis ligt van alle uiterlijke en lichamelijke liefdoenerij.
Het geloof in die aanwezigheid, de zekerheid van die gemeenschap, gelijk te stellen met het weten van en het vertrouwen in het bemind zijn, geeft de mens moed om te zijn in deze wereld ondanks alle dreiging,
ondanks veel tegenslag en tegenkanting.
Het geeft ons de kracht om die eenheid met Christus te zoeken en te beleven
in de navolging, op de weg van de liefde die ons onszelf doet geven, doet sterven, gehoorzaam doet worden aan de wil van de Vader om ondanks alles
het goede te doen en lief te hebben, ook al is dat moeilijk, ook al doet het lijden. De Libanese dichter Kahlil Gibran schreef over die navolging voortreffelijk: Wanneer de liefde wenkt, volg haar,
al zijn haar wegen zwaar en steil.
En zo haar vleugelen je omhullen, laat je gaan,
al zou het zwaard, verborgen in haar veren, je verwonden.
En zo zij tot je spreekt, geloof haar, ook al verstrooit haar stem je dromen, zoals de noordenwind je tuin verkeren doet in dorre woestenij.
Want zo de liefde je kroont, zij kruisigt je ook. En al dient zij tot je groei, zij snoeit je evenzeer.
Opgenomen worden in het huis van de Vader, in eenheid met Christus, is niet een belofte voor een nieuw en totaal ander leven
na de dood van ons lichaam en na het einde van dit leven hier in deze wereld.
Die eenheid en die opname is te beleven in deze wereld als we de gave van de Geest toelaten, als we toelaten dat die Geest ons tot een ander leven brengt,
ons doet opstaan uit een leven dat louter gericht is
op het behoud van dit aardse leven met al zijn geneugten, maar ook met al zijn angsten en risico’s.
Wie Jezus ziet, ziet de Vader.
We hebben geen nood aan bovennatuurlijke verschijningen. We hebben voldoende aan een mens in wie Gods Geest leeft. Wij zijn geroepen om zo’n mensen in de wereld te zijn.
De vragen van Thomas en Filippus zijn begrijpelijk, maar voor wie echt gelooft eigenlijk overbodig…