Homilie voor de 31' zondag door het jaar C

  Broeders en zusters,

    Het is al heel wat jaren geleden dat ik een visitatie mocht doen bij zusters Benedictinessen – een vrij grote gemeenschap met meerdere bejaarde zusters, zelfs hoogbejaarde zusters. Een zuster van meer dan negentig kwam niet meer naar beneden en dus ging ik haar opzoeken in haar kamer. Het werd een kort, maar heel indringend gesprek. De zuster begon met te zeggen dat zij niet veel te zeggen had – ze leefde toch wat buiten het gemeenschapsleven van elke dag, maar ook op haar cel mocht zij haar leven als moniale verder zetten en met vreugde. En dat zag je aan haar. Ze vertelde: “Bij mijn professie – toen ik naar voren moest komen – riep de bisschop: VENI! KOM! Dat was voor mij Jezus die mij riep. Wel, dat gebeurt nog elke dag opnieuw – ook vandaag.” – “HODIE” – zei ze. “Vandaag is van God: Hij roept en ik antwoord.


    Tot zover mijn herinnering. En waarom vertel ik dat nu? Om dat we ook in het evangelie van deze 31ste zondag Jezus horen zeggen: Veni! – Kom! – Zacheüs, kom vlug naar beneden. En tot tweemaal toe klinkt het VANDAAG – Vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn. Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen. Zusters en broeders, die woorden staan er niet zomaar. Horen we Jezus zeggen tot ons: Veni! Kom! Beseffen we dat Hij elk van ons roept, ons uitnodigt om vandaag bij Hem te zijn, omdat Hij wil zijn bij ons.
    Het evangelie vertelt ons nog enkele bijzonderheden die we niet over het hoofd mogen zien. Lucas begint: Zacheüs was een hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man. De omstanders zeggen het op hun manier: Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen. Zacheüs is geen heilige, geen onbesproken mens, niet zuiver tot op de draad. Er scheelt wat aan; hij heeft mankementen. En hij weet dat ergens ook – zijn klimmen in een wilde vijgeboom, het zich verschuilen tussen zijn grote bladeren, doet me terugdenken aan het evangelie van vorige zondag, waar het ook over een tollenaar ging. We hoorden toen: de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich op de borst en zei: ‘God, wees mij zondaar genadig. De geroepene is een kleine mens. Geroepenen zijn kleine mensen; wij zijn kleine mensen. Wij zijn zondaars. Het is zo belangrijk – denk ik – dat in ons hart te horen. Niet als een oordeel, niet als een veroordeling, maar als een woord om over weg te kunnen met onszelf en met wat we in onszelf tegenkomen aan mankementen naast al het goede en mooie dat ook ons deel is. Klein, zondig, ja – maar die kleine, zondige mens wil Jezus zien. Dat is er evenzeer – dat verlangen, die puurheid – een hart op zoek naar.
    En om aan dat verlangen gevolg te geven – om te zien wie Jezus is – klimt Zacheüs in een wilde vijgeboom. Ook dat is een gekende beweging: om Jezus te zien, om Jezus te ontmoeten, denken we naar boven te moeten, de hoogte in, het laagland – de aardse werkelijkheid, het gewone dagelijkse leven – ontkomen. Maar Jezus roept: Kom! Kom vlug naar beneden. Om Jezus te zien, om Jezus te ontmoeten, moeten we naar beneden, afdalen. Alleen op de grond gebeurt het van aangezicht tot aangezicht. En het gaat nog verder: Jezus zelf wil te gast zijn in het huis van Zacheüs. Zacheüs is niet thuis. Jezus brengt hem thuis; Jezus brengt hem bij zichzelf. Ook dit is een diepe werkelijkheid. Iemand als Henri Nouwen heeft die ervaring heel persoonlijk beleefd. Het is te horen in de titels van bepaalde boeken: Binnengetrokken. Eindelijk thuis. Jezus ontmoeten is thuiskomen bij zichzelf – bij onszelf zoals we zijn – nogmaals: Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen.
    En daar – in die werkelijkheid wil Jezus te gast zijn. Dat is de kern van ons christelijk leven, ook van ons monniksleven: Christus bij ons – Christus in ons. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Hij leeft aan onze zijde; Hij is in ons huis. En dat maakt het leven en het samenleven zo anders, omdat Hij in ons huis verblijft. Dan wordt het voor ons mogelijk om thuis te blijven, om te wonen met onszelf, om te aanvaarden dat ons huis is zoals het is, want echt goed genoeg om de Heer tot verblijf te dienen.
    Jezus is te gast. Lucas vervolgt: Zacheüs zegt: “Heer, bij dezen schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb geef ik het hem vierdubbel terug.” Het verblijf van Jezus doet iets met de mens. Er is licht in zijn huis gekomen: de verborgen kamers, de donkere hoeken worden verlicht. Jezus heeft niets gezegd, niets aangeklaagd, maar zijn aanwezigheid maakt dat Zacheüs ziet waar hij vastzit, wat zijn leven verduistert. Hij weet zich zondaar, en zoekt nu wegen van herstel, van genezing. Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen. De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken, en om te redden wat verloren was.
    Zusters en broeders, vandaag roept Jezus: “Kom! Kom naar beneden, kom mee naar huis, kom thuis bij jezelf. Daar wil Ik te gast zijn. En laat Mij de lamp zijn in uw huis, laat Mij maar alles verlichten.” Hoorden we niet in de eerste lezing: Gij houdt immers van alles wat bestaat en verafschuwt niets van wat Gij geschapen hebt… Ja, alles spaart Gij, want alles is van U, en Gij heerst vol liefde over al wat leeft. Moge dat een woord zijn dat vrijmaakt en ons doet leven. AMEN.
Abt Manu