Homilie voor de zesde paaszondag A 10 mei 2026
Homilie voor de zesde paaszondag A 10 mei 2026
Moederdag lijkt me een goede gelegenheid om God als een moederfiguur voor te stellen.
In het Oude Testament verschijnt barmhartigheid
als de belangrijkste eigenschap van God: God is barmhartigheid.
Het Hebreeuwse woord daarvoor is rechamim, het meervoud van rechem
dat ‘baarmoeder’ betekent.
Ons Nederlandse woord barmhartigheid past daar wonderwel bij, want barm is een afkorting van ‘baarmoeder’
en barmhartigheid is dus het gevoel van het moederhart boven de baarmoeder. Een moeder laat zich associëren met zorgende aanwezigheid,
met intense verbondenheid, met voortdurende waakzaamheid en betrokkenheid.
Toch moet een kind leren leven met afwezigheid van de moederfiguur
wil het het levensnoodzakelijke basisvertrouwen en zelfvertrouwen opbouwen.
Een moeder dient – zoals Jezus zegt – heen te gaan zonder haar geliefden verweest achter te laten.
Daardoor kan de aanwezigheid van de moeder verinnerlijkt worden. Dat is ook waar de Geest voor zorgt.
De Geest is de innerlijke aanwezigheid van Christus in ieder van ons. Wat de aardse lichamelijke Jezus was voor de leerlingen,
dat is de Geest voor ons, de Geest door wie Jezus ons nabij blijft
en waardoor wij kunnen deelnemen aan het leven van de Verrezene.
Homilie voor de 5de paaszondag A 3 mei 2026
Homilie voor de 5de paaszondag A 3 mei 2026
Handelingen 6, 1-7
Psalm 33
1 Petrus 2, 4-9
Johannes 14, 1-12
De evangelielezing van deze 5de paaszondag
is een deel van Jezus’ afscheidsrede in het evangelie van Johannes. Dit deel bevat een sterke oproep tot geloof, tot vertrouwen.
Dat vertrouwen staat tegenover angst, innerlijke onrust, onrust van het hart. Die onrust is het gevolg van een verkeerd emotioneel denken, namelijk,
dat het heengaan van Jezus gescheidenheid en eenzaamheid met zich meebrengt, verlatenheid in een vijandige wereld, in een leven vol bedreiging.
Jezus wijst dit denken duidelijk af als onwaar.
Het denken over de wereld is wel correct
maar niet de vrees van gescheidenheid, eenzaamheid en verlatenheid. Tegenover die foute vrees plaats Jezus de belofte en dus de zekerheid dat Hij zal terugkeren en dat Hij de leerlingen zal opnemen,
opnemen in eenheid met Hem, in eenheid met God ook, want Hij en de Vader zijn volmaakt één.
Die eenheid en gemeenschap zal een innerlijke eenheid en gemeenschap zijn, zoals ook Jezus’ aanwezigheid een innerlijke aanwezigheid is.
Hij zal niet terugkeren en letterlijk ons handje vasthouden.
Homilie voor de 4de paaszondag A 26 april 2026
Homilie voor de 4de paaszondag A 26 april 2026
De gelijkenis die we horen in de evangelielezing van deze zondag is gericht tot de farizeeën en bevat Jezus’ overtuiging
dat deze religieuze leiders van het volk niet (meer) te vertrouwen zijn. Geloven is vertrouwen in een verkondigde waarheid,
een waarheid over God en over de weg die leidt
naar een vredevol en vreugdevol leven en samenleven.
Maar die waarheid hebben de farizeeën en wetgeleerden in Jezus’ ogen ingepakt in tradities en regels, die de profeet Jesaja reeds afwees als ‘mensenwet’
en Jezus aanduidde als ‘ondraaglijke lasten’:
Gij legt de mensen haast ondraaglijke lasten op
en raakt zelf die lasten niet met één van uw vingers aan. (Lc 11, 46)
Wellicht is Christus in de verkondiging en de opgelegde vroomheid van de Kerk in de loop van de eeuwen ook nogal ingepakt geraakt.
Homilie voor de 3de paaszondag A 19 april 2026
Homilie voor de 3de paaszondag A 19 april 2026
Uit het verhaal van de ontmoeting van de verrezen Heer met de leerlingen van Emmaüs kunnen we heel wat leren over het ‘herkennen van de Verrezene’,
het aanwezig weten van de Verrezene, het geloof in die aanwezigheid. We zouden kunnen verzuchten:
‘Dat die verrezen Jezus maar eens aan ons verschijnt, zich aan ons laat zien,
dan zouden wij vast en zeker wel geloven in de verrijzenis en in zijn aanwezigheid!’ Wel, Hij verschijnt aan de leerlingen van Emmaüs, maar ze herkennen Hem niet… En dat is een gegeven dat ook in andere verschijningsverhalen voorkomt.
In het geval van de leerlingen van Emmaüs is de reden daarvoor dat Jezus niet wil dat ze Hem onmiddellijk herkennen.
Maar dat niet willen is eigenlijk niet kunnen.
Hij kan zich nog niet openbaren omdat die leerlingen daar nog niet klaar voor zijn. Misschien kennen jullie het gezegde:
‘Als de leerling klaar is, verschijnt de meester.’
En we kunnen ook verwijzen naar het zgn. Messiasgeheim in het evangelie van Marcus:
Jezus wil niet dat de mensen weten dat Hij de Messias is omdat ze dat nog niet kunnen inzien en begrijpen.
‘Herkennen’ in ons Emmaüsverhaal heeft zeker de betekenis van ‘inzien’, zien, begrijpen met geest en hart en daardoor ervaren.
Dat de twee leerlingen dat nog niet kunnen wordt door Jezus geduid als gebrek aan verstand en traag van hart zijn.
Het klinkt uit zijn mond tamelijk kwetsend, in ieder geval direct, en het lijkt erop dat Hij weinig rekening houdt met hun emoties.
Maar misschien is dat wel nodig om hen tot inzicht en herkenning te brengen. Waarom kunnen ze Hem niet herkennen?
Homilie voor de tweede paaszondag – Beloken Pasen 12 april 2026
Homilie voor de tweede paaszondag – Beloken Pasen 12 april 2026
De evangelielezing van Beloken Pasen is het slot van het Johannesevangelie. Johannes wijst in het laatste vers ervan naar het doel van zijn evangelie:
opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt in zijn Naam.
Hij wil opwekken tot geloof, geloof dat leven schenkt.
Liefde is het verlangen naar het leven en het geluk van de geliefde.
God verlangt dat we leven, echt leven en Hij zorgt er voor dat wij dat kunnen. Daartoe heeft Hij ons zijn Zoon gegeven.
Die zegt in een nachtelijk gesprek met de farizeeër Nicodemus:
Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,
opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. (Joh 3, 16)
Homilie voor het hoogfeest van de verrijzenis van de Heer Paaszondag 5 april 2026
Homilie voor het hoogfeest van de verrijzenis van de Heer Paaszondag 5 april 2026
De corona-tijd verplichtte ons tot een andere levensstijl. Toch wat het uitgangsleven en het reizen betreft.
We vonden de waarde terug van een beperkte maar hechte familie- en vriendenkring. Het was de tijd van de zogenaamde ‘bubbels’ waarin we dienden te blijven.
We leerden ook de schoonheid herontdekken van wat dichtbij te zien was en omdat we het geluk hadden van een prachtige en warme lente
konden we er effectief van genieten,
tenminste wij, die niet door het virus besmet waren
en dus niet in afzondering dienden te lijden of erger, te sterven.
Er werd even gedacht dat de verplichte verandering van levenswijze toch blijvende vruchten zou opleveren
en men het misschien wat soberder zou blijven doen. Nee. Het werd al snel weer ‘business as usual’.
Het toerisme boemde als nooit tevoren.
Want, nu we er weer uitmochten en uitko