Homilie voor de 30ste zondag door het jaar C 23 oktober 2022





Bidden is in de eerste plaats geen kwestie van woorden.
Bij bidden komt het er vooral op aan de juiste ingesteldheid te hebben. Het is een ingesteldheid waarbij we onze aandacht richten op God,
op zijn aanwezigheid in ons, in de schepping en in de medemens.
En als we ons in gebed plaatsen voor God
dan doen we dat in verbondenheid met medemensen en met de schepping.
Wanneer we dat met een open geest en een oprecht hart doen dan brengt ons gebed een houding van dankbaarheid,
eerbied en verwondering voor de schepping bij
en een houding van dankbaarheid, eerbied, respect en dienstbaarheid voor medemensen. We verheffen ons niet en weten ons niet beter dan anderen.
Staande voor God in gebed kunnen we ons trouwens alleen maar bewust zijn van onze zwakheid en onmacht. Maar dan mogen we ons ook aanvaard en bemind weten.
De wijze en de ingesteldheid waarmee we bidden drukt ons geloof uit. Het geloof van de Farizeeër is een wettisch geloof.
Voor hem betekent geloven
het nakomen van religieuze bepalingen en voorschriften.



Als deze bepalingen en voorschriften gericht zijn op liefde, vrede en rechtvaardigheid, dan is het nakomen ervan natuurlijk een goede zaak.
Maar als men daarbij voor zichzelf een volmaaktheidsideaal nastreeft
dan wordt daardoor de aandacht voor God en medemens naar zichzelf verschoven.
De dank die de Farizeeër uitspreekt is geen dankbaarheid jegens God maar een uitspreken van tevredenheid over zichzelf
en een misprijzen voor hen die het ideaal niet realiseren. Bovendien loert de zgn. loongedachte om de hoek:
ik heb het zo goed gedaan dat ik recht heb op beloning van Godswege.
Zo’n gebed kan geen verhoring vinden. Er wordt ook trouwens niets gevraagd,
noch de kracht om goed te zijn, noch genade, noch vergeving. De gebedstijden van monniken en monialen en deze van de Kerk vangen aan met de bede:
‘God, kom mij te hulp. Heer, haast U mij te helpen.’
Dit komt goed overeen met de bede van de tollenaar:
‘God, wees mij zondaar genadig.’
Hoezeer er ook gezegd wordt dat men fouten mag maken en dat men uit fouten kan leren,
in deze harde wereld is de houding van de Farizeeër aan bod.
Alleen voor God en bij God kan een mens in alle vertrouwen tollenaar zijn, alleen bij en voor God kan men in vertrouwen zwakheid en zondigheid belijden, en ook bij en voor mensen die ons als God onvoorwaardelijk liefhebben.
Zoals we ook bij God en een geliefde of echte vriend onszelf kunnen zijn. Tenslotte, voor het goede dat wij doen moeten we inderdaad God danken. Franciscus van Assisi noemt dat het goede aan God teruggeven.
Immers het goede dat wij verrichten is God die in en met en door ons het goede in de wereld tot stand brengt.
Vooral als dat goede zich situeert in het veld van onvoorwaardelijke liefde en dienstbaarheid.

https://www.youtube.com/watch?v=zXO4rqBQOAU&ab_channel=MusicforFaithandWorship