Homilie Pasen 2020

p. Guerric 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Paaszondag       Hand. 10, 34-43    Kol. 3, 1-4        Joh. 20, 1-9

De verrijzenis speelt zich af in een tuin. Hoe kan het anders? Alles begon ook in die tuin, die God de Heer die eerste dag had aangelegd voor de mens om in te wonen. Daarin liet God ook allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten, met midden in de tuin de boom van het leven. Zo schildert Genesis ons de oorspronkelijke woonplaats af van de mens. En God schiep de mens als man en vrouw, de een en de ander, rib aan rib met elkaar verbonden.

God de Heer plaatste de mens in zijn aarde-tuin om die te bewerken en te beheren. Maar wat maakte de mens ervan? Een regelrechte ravage, een oorlogsgebied, een permanent slagveld. De goede grond doorploegde hij met bommen en explosieven. Rivieren veranderde hij in stinkende riolen, wouden in troosteloze woestijnen. De lucht blies hij vol stof en dioxines. Traditionele samenlevingen vernietigde hij. Harmonische verbanden verbrak hij. De aarde doordrenkte hij met het bloed van zijn broeders en zusters. Vanuit de diepe angst in zijn hart, gaf de mens de paradijstuin prijs aan verloedering.



Nochtans had God de Heer die mooie tuin voor de mens, zijn dierbaar schepsel, geschapen. Aan alle dingen mocht hij hun naam geven, en daarmee hun betekenis. En God zag dat het goed was. Maar de zonde, de angst en de bitterheid in het hart van de mens, maakten er een bloedig verhaal van.

Op het hoogtepunt van de geschiedenis stuurde God zijn Zoon die al weldoende rondging. Hij sprak woorden van liefde en van vergeving. Hij raakte zieken aan ter genezing en bevrijdde mensen van hun boeien. Zijn liefde dreef de angst uit, want waar liefde is, is geen plaats voor angst. Hij leefde als een vrije onder de doden, en verheerlijkte zijn Vader door het werk te volbrengen dat Deze hem had opgedragen.

Ofschoon Hij onschuldig was, nederig en zachtmoedig van hart, werd Hij door vrienden verraden. Hij werd vermoord en aan een kruis genageld. Het Lam werd geslacht, en met zijn bloed werden onze deurposten bestreken, opdat wij gered zouden worden. Zijn zijde werd met een lans doorboord en uit zijn geopend hart vloeide de levensstroom der sacramenten. Alle onheil en alle scheppingen, alle heldendaden en alle mislukkingen, iedere last en elke dood, kwam door zijn offer in een ander licht te staan. In Christus’ dood werd de schepping en het angstige hart van de mens weer aan de zon van Gods liefde blootgesteld. Waarheid rees op uit de aarde en gerechtigheid reikte neer van de hemel. Want de dood kon Hem niet houden. Christus is verrezen!

Alles komt nu in een ander licht te staan. De hemelen juichen, de aarde jubelt, de hele schepping viert de Opstanding, want Christus is verrezen! De ark van het nieuwe verbond is in het heiligdom aangekomen en David, onze stamvader, danst voor die ark uit. Wij zijn vol vreugde en jubel omdat alle beloften vervuld werden door zijn opstanding. Christus is verrezen! 



En weer is er een eerste dag en opnieuw wordt de tuin opengesteld. De eerste die er binnengaat is Maria Magdalena, de vrouw die op een avond een kruikje echte nardusbalsem over Jezus voeten stukbrak, en die met haar haren afgedroogde. Ze had niet alleen het kruikje, maar ook haar hele hart en bestaan gebroken, zonder iets voor zich te houden. Zo totaal en onvoorwaardelijk was haar liefde. Daarom gaat ze als eerste de paastuin binnen. En ze ziet dat de steen van het graf is weggerold.

Het zien is opvallend aanwezig in de opstandingsverhalen, ofschoon de verrijzenis zelf buiten beeld blijft. Naast zien moeten we letten op het woordje eerst. Maria Magdalena wordt op de voet gevolgd door twee spurtende leerlingen. Het is echt om ter eerst. Petrus, de prins der apostelen, de rots waarop de Heer zijn Kerk zal bouwen, wordt ingehaald door de Beminde Leerling die, bij het graf gekomen, zich bukt en ziet hoe de lijkwindsels daar zomaar op de grond liggen. Petrus gaat evenwel als eerste het graf binnen: ook hij ziet de lijkwade en het zweetdoek apart opgerold, maar geen lijk, geen Jezus. Als daarna de Beminde Leerling eveneens het rotsgraf binnenstapt en alles daar ziet, begint hij te geloven. Hij, de Beminde leerling, is de eerste gelovige!

Zien wordt thans ‘inzicht’. De twee leerlingen zien geen spectaculaire verrijzenisshow, maar begrijpen met de ogen van het geloof dat het lichaam van Jezus niet louter verdwenen is. Zij zien de zwachtels met de bloedsporen maar het dode lichaam van Jezus is weg. De dood is weg. De dood is verdwenen. De dood is dood. Want Christus is opgestaan uit de dood. Het graf verandert in een bruidsvertrek. De mens wordt bruid, is weer kind van God. De losgeslagen mensheid komt weer thuis. Haat en moord en bitterheid hebben niet het laatste woord. Want Christus is verrezen. Daarom, ‘gij die met Christus ten leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand van God’. Onze paradijstuin is Christus, de Verrezene. Hij is ons leven!
                                   
Br. Guerric Aerden ocso