Homilie voor de 32 ste zondag door het jaar

Mc. 12, 38-44 (8.11.2015)

Velen onder u, lieve mensen, weten ongetwijfeld dat de eerste lezing van de zondagse Eucharistie gekozen wordt in functie van de derde, het Evangelie. De bedoeling is om op die manier dat Evangelie te belichten vanuit zijn oudtestamentische achtergrond. Ook op deze ‘zondag van de arme weduwe’ is dit het geval: de eerste lezing brengt ons het verhaal van de profeet Elia die door een arme weduwe te Sarefat een maaltijd krijgt aangeboden waar ze haar laatste bezit in investeert. Dit in verband plaatsen van twee of meer teksten is een joodse methode van Schriftuitleg, midrasj genaamd. Een parallelle vertelling geeft daarbij een hint om een tekst beter te verstaan en zo tot een diepere Schriftuitleg te komen. We komen zo dadelijk terug bij die twee teksten met de ‘arme weduwe’ als link, maar eerst wil ik aandacht schenken aan de tweede lezing die, ongewild, eveneens licht werpt op de boodschap van het evangelie.
    Al zes weken lang lezen we zondag na zondag uit de Hebreeënbrief, een verheven betoog dat onder meer de superioriteit van Christus’ priesterschap ten opzichte van het oudtestamentisch priesterschap in de verf zet. Het gaat hierom: terwijl de hogepriester uit het levitisch priesterschap vele malen een tempel moest binnengaan die door mensenhanden gemaakt was om er bloed te offeren dat niet het zijne was, is Christus eens en voor al het hemels heiligdom binnengetrokken, na het offer van zijn eigen bloed op het kruis. En de auteur van de Hebreeënbrief noteert daarbij dat deze daad van Christus aansluit bij de natuur van de mens, want ‘het is het lot van de mens eenmaal te moeten sterven’. De herhaalde tempeloffers daarentegen zijn eigenlijk een soort toneel, een repetitieve ritus, terwijl het ene offer van Christus beantwoordt aan het echte realiteit van het leven.
    Gaan we nu naar het Evangelie, dan horen we Jezus een arme weduwe prijzen omdat zij haar laatste cent in de offerkist van de tempel werpt. Ze geeft alles waar ze van leven moest, letterlijk staat er in het Grieks: holon ton bion autès, wat betekent ‘haar hele leven’. Je leven kun je maar eenmaal geven. De offergaven daarentegen van degenen die schenken van hun overvloed zijn herhaalbaar, repetitief, en situeren zich dus nog in de logica van het Oude Testament. De offergave van de arme weduwe is definitief en benadert derhalve dat eenmalige, unieke offer van Christus. Jezus ziet in die arme weduwe met andere woorden zichzelf. De gave van de weduwe verwijst naar de uniciteit van zijn eigen levensoffer.  

    Misschien zal een pastoor die worstelt met een deficit in zijn parochiekas algauw geneigd zijn dit evangelie toe te passen op de financiële bijdragen van zijn parochianen, om hen tot meer edelmoedigheid aan te sporen. Maar de invalshoek van de Hebreeënbrief laat ons verstaan dat de pointe elders ligt. Als wij hier, week na week, komen deelnemen aan de Eucharistie – voor ons monniken zelfs dag na dag – is het gevaar niet denkbeeldig dat we blijven steken in die logica van het Oude Testament. We komen dan een ritus voltrekken die zich telkenmale herhaalt, die zich vooral ‘buiten ons’ afspeelt en die maar weinig engagement vraagt. Als we ons daarentegen bewust worden van de aanwezigheid van dat ene en unieke offer van Christus, wordt het even anders. Want Eucharistie betekent zelfgave, zelfontlediging en toch overleven. De Eucharistie is een gedachtenisviering waarin het gevierde – Jezus dood en verrijzenis – weer actueel wordt. Hier kunnen we niet veilig op een afstand blijven, angstig om ons geheel te moeten geven. We kunnen niet als het ware tegen God zeggen: ‘Hier heb je een stukje van mijn hart, maar de rest bewaar ik voor later, voor volgende zondag misschien’. Nee, de radicaliteit van Christus’ offer eist dat ook wij ons helemaal overgeven, heel ons leven, alles waarvan we leven moeten, precies als die arme weduwen uit de eerste en derde lezing. God kan niets doen met ons kleingeld – Hij wil ons helemaal voor zich, nu, vandaag, hodie! Wie echt gaat begrijpen wat zich tijdens de Eucharistie afspeelt, wordt ondersteboven gegooid en zal heel zijn leven ook omkeren.
    
    Wij zijn maar bange mensenkinderen. En daarom mag het woord van de profeet Elia aan de weduwe van Sarefat ons geruststellen: ‘Vrees niet, heb geen schrik, want zo zegt de Heer, de God van Israël: de pot met meel raakt niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput totdat de Heer het weer laat regenen om de aarde te bevloeien’. Nemen we deze weduwe van Sarefat tot ons voorbeeld: zij wist dat haar de dood wachtte en dat ze niet veel meer te verliezen had. Dat geldt in de grond ook voor ieder van ons. En nemen we vervolgens een voorbeeld aan wat ze dan doet: ze neemt het risico zich te ontdoen van het weinige dat ze heeft om in de persoon van zijn gezondene, God zelf te ontvangen en gastvrijheid te betonen. En door dit gebaar, een gebaar waar zoveel vertrouwen, liefde en overgave uit spreekt, ontvangt ze het leven voor haarzelf en voor haar zoon. Wat hier van belang is, is niet het wonder van Elia op zich maar de diepe waarheid die in dit verhaal wordt uitgedrukt. Door ons te voorzichtig, te terughoudend op te stellen, zijn we al dood. Nee, we moeten ons laten malen als het graan en pletten als de druiven om brood en wijn voor Christus te worden. ‘Leef alsof je morgen gaat sterven’, zegt de volkswijsheid. Maar wij leven alsof we de eeuwigheid in petto hebben, als die halfgoden in Griekse tragedies die zelfs nadat ze doorstoken zijn maar blijven declameren.          
    
    De Eucharistie is echter geen theater maar de actualisering van het Nieuwe Verbond in Jezus’ bloed. Bidden we daarom de Heilige Geest om ons meer bewust te maken van deze realiteit waarin Christus zich helemaal aan ons geeft. En bidden we dat Hij ons mee mag trekken in deze totale gave van zichzelf.
Br. Guerric Aerden ocso            Abdij Westmalle