Homilie Openbaring van de Heer 2026

Openbaring van de Heer 2026 Jes 60,1-6 Ep 3,2-3a.5-6 Mt 2,1-12
De wijzen uit het Oosten, die met een ster als kompas naar het huis van Bethlehem komen om er zich neer te buigen voor de pasgeboren Koning van de Joden, lijkt ons vandaag een eerder mythisch verhaal. Maar daardoor is het ook archetypisch en vol van betekenis. Matteüs, die als enige evangelist dit verhaal heeft overgeleverd, vertelt het ons om het geheim van Jezus te
begrijpen. Het gaat om ‘de openbaring van de kennis van het mysterie van Christus’, zoals Paulus het noemt in de Efeziërsbrief (2,3-4). Wat is die kennis van het mysterie van Jezus Christus, broeders en zusters? Het is de universaliteit van de belofte van een messiaanse verlosser, eeuwenlang gekoesterd door het Hebreeuwse volk, en nu gerealiseerd in de geboorte van het Kind te Bethlehem. De geboorte van dit Kind heeft heilsbetekenis voor héél de wereld, voor alle volken en naties onder de zon. “De volken komen naar uw licht” (Jes 60,3), had de profeet Jesaja al voorspeld. Met de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus is voor heel de mensenfamilie genade, heil en redding van Godswege doorgebroken in onze geschiedenis. Dat is de kennis van het mysterie van Jezus Christus en de inhoud van dit feest van de Openbaring dat de Kerk viert als tweede hoogtepunt in de kerstcyclus
Homilie Doop van de Heer 2026
Doop van de Heer A Jes 42,1-4.6-7 Hand 10,34-38 Mt 3,13-17
In de jaren na WO II werden ergens aan de Westelijke Jordaanoever belangrijkste archeologische vondsten gedaan. In grotten bij de Jordaan werden oude perkamenten en rollen papyrus gevonden, de zogenaamde Dode Zee-rollen, die meer dan 900 handschriften met bijbelteksten bevatten. Ze werden gedateerd twee eeuwen vóór tot 50 jaar na het begin van onze tijdrekening. Deze manuscripten bleken bovendien afkomstig van een soort monastieke gemeenschap die tot de beweging van de Essenen behoorde. Deze mensen hadden zich afgekeerd van de tempelcultus en leefden aan de Jordaan met een sterke nadruk op reiniging. Het is niet vergezocht om Johannes de Doper, en zelfs Jezus, in verband te brengen met deze Essenen, waarover het Evangelie verder zwijgt. Zowel het ritueel van de doop om van zonden gereinigd te worden, als de locatie van de Jordaan, wijzen in die richting. Evenals de Essenen leefden zowel Jezus als Johannes de Doper celibatair en geen van beiden had veel op met de tempelcultus te Jeruzalem.
Homilie Kerstnachtmis 2025
Kerstnachtmis Jes 9,1-6 Tit 2,11-14 Luc 2,1-14
God treedt binnen in onze geschiedenis: dat viert de Kerk in deze hoogheilige nacht van Kerstmis. Voordat in de loop van de 4de eeuw de feesten van Kerstmis en Epifanie hun intrede deden in de liturgie, vierden de christenen alleen Pasen, het unieke feest dat de volheid van het mysterie van het heil tot uitdrukking bracht. Het jongere feest van Kerstmis werd gezien als het begin van dat Paasmysterie, de aanvang van de ontlediging of kenose van God. God ontdoet zich van zijn gestalte van macht om geboren te worden als een klein en behoeftig Kind. Het licht van Kerstmis is dus een paaslicht. God die geboren wordt in ons mensenlichaam, doet ons herboren worden, ieder voor zich, tot zijn eigen leven.
Van deze intrede van God in de geschiedenis beschrijft Lucas de historische omstandigheden. Het gebeurde in het kader van een volkstelling die de keizer van Rome had bevolen. Ieder moest zich naar zijn vaderstad begeven om zich te laten registeren. De Zoon van God onderwerpt zich aan de politieke situatie van het joodse volk waartoe hij behoort. God die onze geschiedenis binnentreedt, treedt ook binnen in het hart van een gemeenschap. De ouders van Jezus behoren tot het armere deel van de joodse samenleving. Ondanks de gevorderde zwangerschap van Maria is er voor hen geen plaats in de gemeenschappelijke logeerplaats. In een grot, een voederplaats voor vee, wordt de Zoon van God geboren. Het zijn de herders, mensen die aan de onderkant bengelen van de sociale ladder, aan wie als eersten de geboorte van de Messias wordt aangekondigd en die op kraambezoek gaan. God heeft een voorkeur voor de kleinen en armen. “Heersers ontneemt Hij hun troon maar Hij verheft de geringen” (Lc 1,52).
Ook in onze tijd kiest God de zijde, niet van de rijken en machthebbers, maar van de armen: zij die die niets hebben waarop ze zich voor God kunnen beroepen.
Derde zondag van de AdventA 2025
Derde zondag van de AdventA Jes 35,1-10 Jac 5,7-10 Mt 11,2-11
Met Kerstmis vieren wij de komst van het goddelijk Woord in het vlees. Maar daarmee is het heil dat God aan de wereld belooft nog niet geheel vervuld. De mensgeworden God zal moeten sterven, als een graankorrel in de aarde. Hij zal opschieten tot nieuwe leven en zijn Geest uitstorten over de leerlingen die in Hem geloven. Daarna zal Hij onophoudelijk blijven komen, elke dag, elk uur, op discrete wijze in het hart van de gelovigen. En eens zal Hij wederkomen in zijn glorie, allen en alles vervullend in Hem. Jezus is de Komende. De vraag die Johannes de Doper in zijn gevangenschap via zijn leerlingen aan Jezus stelt: “Zijt Gij de komende?” moet dus in alle richtingen en vervoegwijzen positief beantwoord worden. Jezus is gekomen, Hij komt in het heden en zal komen in heerlijkheid. Toch geeft Jezus aan de leerlingen van Johannes alleen een onrechtstreeks antwoord.
Tweede zondag van de advent 2025
Tweede zondag van de advent Jes 11,1-10 Rom 15,4-9 Mt. 3,1-12
Wij beleven vandaag een crisis van de christelijke godsdienst, een crisis die weliswaar de bredere crisis volgt van de wereld en de samenleving waarin we leven, maar die toch raakt aan de fundamenten van ons geloof. Het is de profetische en mystieke ziel van onze godsdienst die ziek is en deze crisis van de ziel heeft gevolgen voor het lichaam. De uitdaging is niet koste wat kost onze religieuze systemen en structuren overeind te houden, en zeker niet om het glorieuze verleden van de Katholieke Kerk te herstellen, maar om de oorspronkelijke inspiratie en de profetische betekenis van het Evangelie van Jezus Christus relevant te maken voor deze tijd, voor deze periode van de menselijke geschiedenis. De toekomst ligt ongetwijfeld voor ons, als we erin slagen het nieuwe met het oude te verbinden, en “een twijg te doen ontspruiten aan de stronk van Jesse, om de wortel van Jesse op te richten tot een banier voor de volken” (Jes 11,1.10), om het met de visionaire woorden van de profeet Jesaja uit de eerste lezing te zeggen.
Homilie Drieëndertigste zondag C 2025
Drieëndertigste zondag C Mal 3,19-20a 2Thess 3,7-12 Lc 21,5-19
Naarmate het liturgisch jaar naar zijn eind loopt, lijken we door de lezingen steeds meer door elkaar geschud te worden. “Want zie, de dag van de Heer komt!” (Mal 3,19) Op het eerste gezicht zijn die woorden van de profeet Maleachi, de laatste van de oudtestamentische profeten, weinig geruststellend, als hij er nog aan toevoegt “die dag zal branden als een oven” (Mal 3,19). En de reactie van Jezus op de lof van sommige leerlingen op de tempel zijn dat al evenmin. “Er zal geen steen op de andere blijven, alles zal verwoest worden!” (Lc 21,6)
Die tempel is een probleem. Vorige week hoorden we bij Johannes dat Jezus de hele handel eruit gooit en voorstelt hem zelfs af te breken, symbolisch welteverstaan. Vandaag blijft er van de tempel van Jeruzalem maar weinig meer over. We kunnen de profetie van Jezus dus als vervuld beschouwen. Hoe zijn de Joden aan die tempel geraakt? God was er van meet af aan tegen: Hij wilde zich niet laten opsluiten tussen muren en woonde liever onder tentzeil, dichter bij zijn volk en met hen meetrekkend (2Sam 7,5-7). Maar het volk dreef God in het nauw en sloot Hem op in het Heilige der Heilige. Het is makkelijk te leven met God als je weet waar Hij thuishoort. En nu voorspelt Jezus de verwoesting van die tempel, want hij is slechts mensenwerk (Mc 14,58) en God wordt niet bevat in dingen die door mensen zijn gemaakt. Bij dat nieuws van de verwoesting van de tempel van Jeruzalem voelen we misschien niet zoveel angst, maar vergeten we niet dat we, al dan niet bewust, andere tempels bouwen waarin we God denken op te sluiten, zodat we onze kleine, comfortabele levens kunnen voortzetten. Durven we ons de vraag te stellen welke die tempels zijn waarin we God hebben geplaatst om Hem bij de hand te hebben als we Hem nodig hebben en Hem veilig op afstand te houden als Hij ons te veel ergert of lastigvalt? Ook over die tempels zegt Jezus: “Wat ge daar ziet: de dagen komen dat er geen steen op de andere zal blijven, alles zal verwoest worden”. En gelukkig maar dat God al die tempels vernietigt, waarin we Hem “haalbaar” en “verteerbaar” maken, een god op onze eigen kleine maat. Immers, in het hemelse Jeruzalem zal geen tempel meer zijn, want God, de Heer, de Albeheerser is haar tempel (Ap 21,22). De verwoesting van de tempel is alles bij elkaar een hoopvolle boodschap: de verdwijning ervan stelt de Verrijzenis centraal, die de Heer aanwezig doet zijn bij allen die Hij bemint en van hun zonden verlost.